Beslissing: 6 augustus 2025 AP Noord-Holland
Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart
Formele relaties: -/-
Inhoudsindicatie: Beëindiging onderzoek na erkenning van mogelijke overtreding en uitblijven van vergelijkbare overtredingen.
Beslissing OM
in de zaak tegen een gezagvoerder van een eenmotorig vliegtuig, hierna de verdachte.
Aanleiding onderzoek
Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van meldingen die het Analysebureau Luchtvaartvoorvallen (ABL) op 25 februari en 17 maart 2025 heeft ontvangen van een burger over een [gekleurd] toestel dat vaker op lage hoogte over zijn woning vloog. In de melding van 25 februari werd verwezen naar een eerdere melding, daterend van anderhalf jaar daarvoor, waarop geen reactie was gekomen. In die eerdere melding werd het laagvliegen door hetzelfde vliegtuig aangeduid als stuntvliegen. Op 17 maart 2025 werd gemeld dat het vliegtuig [op datum], omstreeks [tijdstip], opnieuw laag over de woning van de melder zou zijn gevlogen.
Het ABL heeft aan de hand van ADS-B Exchange vastgesteld dat op het door de melder genoemde tijdstip een [gekleurd] vliegtuig met registratienummer D-[XXXX] ten zuiden van de woning heeft gevlogen op een hoogte van ongeveer 600 voet. Het toestel leek overeen te komen met de beschrijving van de melder.
Het ABL heeft vervolgens de meldingen op 17 maart 2025 aan het OM doorgegeven, omdat daaruit volgens het ABL een vermoeden van grove nalatigheid is af te leiden.[1] Het ABL heeft daarbij overwogen dat op basis van de melding het vermoeden bestaat dat de gezagvoerder van het vliegtuig nalatig is geweest door bewust laag te vliegen aan de rand van de bebouwde kom, terwijl het voorval zelf niet door de gezagvoerder is gemeld.
Verdenking strafbaar feit
Overtreding paragraaf SERA.5005 onder f Bijlage Uitvoeringsverordening 923/2012 (beneden de minimumhoogte vliegen).
Feiten en omstandigheden
Uit het onderzoek van de luchtvaartpolitie blijkt dat de verdachte degene is die op [datum in het jaar] 2025 met het vliegtuig met registratienummer D-[XXXX] heeft gevlogen boven de stad waar de melder woont. De verdachte liet op 14 april 2025 uit eigen beweging weten dat hij er vaker heeft gevlogen en dat hij op [datum in het jaar] 2025 mogelijk inderdaad te laag had gevlogen in een bocht.
De luchtvaartpolitie heeft in juli 2025 onderzocht of met het betreffende vliegtuig vaker te laag is gevlogen in dit gebied. In 2024 waren er 17 vliegbewegingen boven de stad waar de melder woont. Bij twee van deze vluchten is vermoedelijk beneden de minimum vlieghoogte gevlogen, maar dit waren geen significante afwijkingen. In 2025 zijn er geen andere vliegbewegingen van het betreffende vliegtuig in dit gebied geregistreerd.
Beslissing
Het OM heeft besloten het onderzoek te beëindigen gelet op de beschikbare capaciteit van de luchtvaartpolitie, het tijdsverloop en het feit dat geen andere (grove) overtredingen in beeld zijn gekomen.
De luchtvaartpolitie heeft deze beslissing zowel aan de verdachte als de melder medegedeeld.
De verdachte liet weten dat hij niet bewust te laag heeft gevlogen, in de toekomst beter op zijn vlieghoogte zal letten en andere vliegers zal informeren over de ervaren overlast in het betreffende gebied.
Uit het gesprek met de melder blijkt dat de ervaren overlast bij zijn woning niet uitsluitend samenhangt met de vlieghoogte van passerende vliegtuigen. Aan de melder is toegelicht wat de minimum vlieghoogte is, wat het onderzoek heeft opgeleverd en waarom het onderzoek is stopgezet. Daarnaast is de melder gewezen op de mogelijkheid om bij toekomstige overlast via ADS-B Exchange en Flightradar24 het registratienummer en een indicatie van de vlieghoogte te achterhalen, en mogelijke overtredingen rechtstreeks bij de luchtvaartpolitie te melden.
[1] Het OM en het ABL hebben afspraken gemaakt over voorvalmeldingen die overeenkomstig Verordening 376/2014 zijn gedaan. Volgens deze afspraken zijn de meldingen die bij het ABL binnenkomen, in beginsel afgeschermd voor de politie en het OM: het is aan het ABL om het OM te informeren als op basis van een melding wordt vermoed dat sprake is van opzet of grove nalatigheid, zodat het OM de politie opdracht kan geven daarnaar onderzoek te doen. Zie ook punt 3.1 van de Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart.