Beslissing: 3 september 2025 AP Noord-Holland
Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart
Formele relaties: -/-
Inhoudsindicatie: Beëindiging vanwege beperkte strafwaardigheid van de overtreding.
Beslissing OM
in de zaak tegen een gezagvoerder van een eenmotorig propellervliegtuig, hierna de verdachte.
Aanleiding onderzoek
Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van een melding van een burger aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT-Luchtvaartautoriteit) over een te laag vliegend vliegtuig.
Verdenking strafbaar feit
Overtreding van voorschrift SERA.5005, onderdeel f, Verordening 923/2012 (beneden de minimale vlieghoogte vliegen).
Feiten en omstandigheden
Uit het onderzoek van de luchtvaartpolitie komt naar voren dat het vliegtuig met registratienummer PH-[XXX] op [datum in het jaar] 2025 op een hoogte van 581 voet (gecorrigeerd naar de plaatselijk heersende luchtdruk) over een klein stuk woonwijk in de plaats [dorp] heeft gevlogen.
De radarbeelden laten zien dat het vliegtuig het grootste deel van de bebouwing van [dorp] heeft vermeden. Tijdens dat deel van de route geldt 500 voet als minimale vlieghoogte, waaraan het vliegtuig zich heeft gehouden.
Beslissing
Een woonwijk kan naar het oordeel van het OM worden aangemerkt als een dichtbevolkte zone, zoals bedoeld in voormeld voorschrift. Dat betekent dat de minimale vlieghoogte boven die wijk 1000 voet is. Ook als de gebruikelijke foutmarge wordt aangehouden[1], kan worden geconcludeerd dat er beneden de minimale vlieghoogte is gevlogen.
Bij de beoordeling van de strafwaardigheid wordt echter meegewogen dat de verdachte zich voor het overige aan de minimale vlieghoogte heeft gehouden. Uit de gevlogen route blijkt dat de verdachte de bebouwing grotendeels heeft vermeden en dat voor het grootste deel van de vlucht een lagere minimale vlieghoogte gold. Dit relativeert de strafwaardigheid van de overtreding en vormt aanleiding om het onderzoek te beëindigen.
De eigenaar van het vliegtuig is hiervan op de hoogte gesteld. Uit het contact met de eigenaar bleek dat de verdachte degene was die het vliegtuig had gehuurd. De luchtvaartpolitie heeft vervolgens de verdachte laten weten dat een overtreding is vastgesteld, maar dat het onderzoek is gestopt. Uit dat gesprek bleek dat de verdachte weinig vliegervaring had en zich er niet van bewust van was dat hij te laag had gevlogen. Hij dacht dat hij om [dorp] heen had gevlogen. Na raadpleging van de vluchtgegevens in zijn vliegcomputer heeft hij vastgesteld dat hij over een deel van de bebouwing heeft gevlogen en daarbij de vlieghoogte heeft aangehouden die vóór en na de bebouwing wel was toegestaan. De verdachte heeft aangegeven hier in de toekomst beter op te zullen letten.
[1] Doorgaans kan worden uitgegaan van een marge van circa 100 voet, maar een grotere afwijking is niet uit te sluiten. De luchtvaartpolitie houdt in het algemeen een foutmarge aan van 250 voet aan. Die marge voorziet in mogelijke afwijkingen van onder andere de ingestelde druk op de hoogtemeter door de gezagvoerder, afronding van de radarhoogte in flightlevels, mogelijke variaties in luchtdruk en afwijking van de apparatuur.