Beslissing: 1 oktober 2025 AP Noord-Holland
Categorie luchtvaartzaak: Kleine bemande luchtvaart
Formele relaties: -/-
Inhoudsindicatie: Bevindingen nuanceren de mate van verwijtbaarheid. Onderzoek beëindigd wegens capaciteitsafweging en eigenaar gewezen op het belang van melden en leren van voorvallen.
Beslissing OM
in de zaak tegen een gezagvoerder van een eenmotorig propellervliegtuig, hierna de verdachte.
Aanleiding onderzoek
Het onderzoek in deze zaak is gestart naar aanleiding van een melding die het Analysebureau Luchtvaartvoorvallen (ABL) op 19 mei 2025 heeft ontvangen. De melding houdt kort gezegd in dat het vliegtuig met registratienummer PH-[XXX] op [datum in het jaar] 2025 in de nabijheid van de ‘paraglidelocatie’ [locatie] vloog. Daarna zou het vliegtuig boven het veld een uitwijkmanoeuvre hebben gemaakt, terwijl op dat moment een paraglider met een lierkabel werd opgetrokken. De melder heeft een schermafbeelding van ADS-B Exchange bijgevoegd (waarop onder meer een barometrische hoogte van 1300 voet is vermeld).
Het ABL heeft de melding op 2 juni 2025 aan het OM doorgegeven, omdat daaruit volgens het ABL een vermoeden van grove nalatigheid is af te leiden.[1] Het ABL heeft daarbij overwogen dat op basis van de melding het vermoeden bestaat dat de gezagvoerder van het vliegtuig met registratienummer PH-[XXX] nalatig is geweest door bewust door een actieve paraglidelocatie te vliegen. Het ABL voegde eraan toe dat de gezagvoerder van dit vliegtuig het voorval zelf niet heeft gemeld.
Verdenking
Op grond van de doorgegeven melding is de verdenking ontstaan van overtreding van art. 5.3 van de Wet luchtvaart (zodanig deelnemen aan luchtverkeer dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht).
Feiten en omstandigheden
Uit het onderzoek van de luchtvaartpolitie komt naar voren dat het vliegtuig met registratienummer PH-[XXX] op [datum in het jaar] 2025 over de paraglidelocatie [locatie] heeft gevlogen. Dit is een veld voor hang- en paraglidingactiviteiten, ook wel aangeduid als een ‘hangglider site’.
Het onderzoek wees uit dat het vliegtuig vloog op een hoogte van ongeveer 1600 voet, gecorrigeerd naar de plaatselijk heersende luchtdruk. In de luchtvaartgids (AIP) wordt gewaarschuwd voor activiteiten in de vorm van hanggliden en paragliden tot een hoogte van 1500 voet. De route van het vliegtuig suggereert dat de gezagvoerder om het dorp [dorp] heeft willen heenvliegen.
Beslissing
Hoewel deze feiten en omstandigheden niet uitsluiten dat sprake is geweest van mogelijke gevaarzetting als bedoeld in art. 5.3 Wet luchtvaart, nuanceren zij wel de mate van verwijtbaarheid. Daarom heeft het OM, mede gelet op de beschikbare capaciteit van de luchtvaartpolitie en de prioritering van andere zaken, besloten het onderzoek te beëindigen zonder nader onderzoek naar de identiteit van de gezagvoerder.
In dit geval is ervoor gekozen de eigenaar van het vliegtuig (en mogelijk via hem de gezagvoerder) te informeren over deze beslissing en aandacht te vragen voor het belang van het melden en leren van voorvallen door gezagvoerders. Dat heeft het OM gedaan. Daarbij is ook te kennen gegeven dat het ABL informatie van de gezagvoerder had kunnen betrekken in de afweging, als deze het voorval ook had gemeld. Dat had mogelijk tot een andere uitkomst geleid. Bovendien had het ABL die informatie kunnen betrekken in een eventuele trendanalyse.
[1] Het OM en het ABL hebben afspraken gemaakt over voorvalmeldingen die overeenkomstig Verordening 376/2014 zijn gedaan. Volgens deze afspraken zijn de meldingen die bij het ABL binnenkomen, in beginsel afgeschermd voor de politie en het OM: het is aan het ABL om het OM te informeren als op basis van een melding wordt vermoed dat sprake is van opzet of grove nalatigheid, zodat het OM de politie opdracht kan geven om daarnaar onderzoek te doen. Zie ook punt 3.1 van de Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart.