Poging doodslag bij woningoverval

De officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland heeft dinsdag 9 januari tot tien jaar gevangenisstraf geëist tegen drie verdachten. Het betreft de destijds 35-jarige L. uit Hoorn, de toen 44-jarige T. uit Almere en de 41-jarige G. uit Alphen aan den Rijn. Deze drie mannen worden verdacht van poging doodslag op een stel uit Haarlem, tijdens een overval in hun woning op 3 augustus 2016. Naast gevangenisstraffen van respectievelijk tien, acht en zes jaar heeft de officier ook gevraagd om betaling van ruim €20.000,- schadevergoeding door verdachten aan hun slachtoffers.

Uitpraten

Verdachten L. en T. hebben in de middag van 3 augustus 2016 geld afhandig gemaakt van de twee slachtoffers. Die zijn daar boos over en willen hun geld terug. Met verdachte L. wordt later op de dag de afspraak gemaakt om het weggenomen geld terug te betalen, onder de mededeling dat anders camerabeelden van de diefstal naar de politie gaan. Diezelfde avond wordt een afspraak gemaakt om het bedrag terug te geven en ‘’om het uit te praten’’, zoals één van de verdachten later bij de politie heeft verklaard. Van praten kwam het alleen niet.
‘’Verdachte L. was helemaal niet van plan het geld terug te betalen’’, aldus de officier van justitie. ‘’Het doel was het bemachtigen van de camerabeelden, zodat aangevers geen bewijs meer zouden hebben ter ondersteuning van hun aangifte.’’

Sterke jongens

Verdachte L. neemt die avond twee sterke jongens mee naar de woning van de slachtoffers. De officier zegt daarover: ‘’Hoewel aannemelijk is dat tevoren geen plannen zijn gemaakt om beide slachtoffers van het leven te beroven, begaven de verdachten zich willens en wetens in een situatie waarin zij ernstig rekening moesten houden met de mogelijkheid dat de slachtoffers niet direct medewerking zouden verlenen en zich (met geweld) zouden verzetten, waarna de geplande diefstal zou kunnen escaleren.’’

Bloedbad

En dat gebeurt ook, volgens het OM: verdachte L. pakt een mes dat op de salontafel ligt, waarmee hij eerst het ene en later het andere slachtoffer levensbedreigend letsel toebrengt. Verdachte T. gaat mee in dit geweld: op geen enkel moment heeft hij ingegrepen. In tegenstelling, hij conformeert zich aan het gewelddadige gedrag van zijn medeverdachte en takelt één van beide slachtoffers toe. Verdachte G. tenslotte begint, ondanks het bloedbad, met het doorzoeken van de woning en verzamelen van waardevolle spullen. Vervolgens vertrekken de verdachten gezamenlijk uit de woning, met achterlating van de twee zwaargewonde bewoners.
‘’Dat de slachtoffers niet het leven hebben gelaten is niet te danken aan het optreden van de verdachten. Verdachten hebben enkel oog gehad op hun eigen financieel gewin en getracht met het wegnemen van belastende camerabeelden hun eigen hachje te redden. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke misdrijven daar lange tijd de psychische consequenties van blijven ondervinden, zoals vandaag ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen'', aldus de officier van justitie.

Noodweer

Verdachten hebben verklaard dat niet zij maar het slachtoffer als eerste een mes heeft gepakt en daarmee stekende bewegingen heeft gemaakt, waardoor de verdachten moesten handelen uit zelfverdediging. ‘’Ik meen dat deze lezing in het geheel niet aannemelijk is. Ja, uit politieonderzoek blijkt dat het slachtoffer zich, na wat er zich in de middag heeft afgespeeld, onveilig voelde en zich om die reden heeft bewapend. Maar dat maakt nog niet dat hij als eerste een mes heeft gepakt. Het feit dat het mes nog in de foedraal zat, en niet al gebruiksklaar op tafel lag, weerspreekt dat bovendien.’’ De officier vervolgt: ‘’De verklaringen van de slachtoffers komen geheel overeen terwijl de verklaringen van verdachten onderling op cruciale punten verschillen. Met name het verschil in de aanleiding van het geweld is opmerkelijk. Dit doet behoorlijk afbreuk aan de geloofwaardigheid. Dit in tegenstelling tot de verklaringen van de slachtoffers, die op belangrijke punten zeer consistent zijn en zo vreselijk authentiek overkomen dat ik geen enkele reden heb daaraan te twijfelen’’. Het OM ziet dan ook geen reden voor het slagen van een noodweer- dan wel noodweer-excesverweer.

Poging doodslag

Het OM acht poging doodslag voor alle drie de verdachten bewezen. Beide slachtoffers zijn meermalen met een mes gestoken. ‘’Dit steken kan worden gekwalificeerd als poging doodslag nu dit heeft plaatsgevonden in delen van het lichaam waarbij kan worden gesteld dat dit levensbedreigend is.’’ Opzet op de dood van beide slachtoffers blijkt eveneens uit het feit dat verdachten beide slachtoffers zwaargewond hebben achtergelaten, zonder te zorgen voor medische hulp. Verdachte G. heeft zelf weliswaar geen geweldshandelingen gepleegd, maar het geweld lijkt hem niet te deren en hij heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd, terwijl hij de woning had kunnen verlaten. Ook heeft hij geen van zijn mededaders ervan weerhouden (verder) geweld uit te oefenen. Evenmin heeft hij hulpdiensten ingeschakeld om ervoor te zorgen dat de slachtoffers tijdig medische hulp zouden krijgen. ‘’Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is de enige passende reactie’’, besluit de officier van justitie.


De rechtbank doet uitspraak op 23 januari.