Dagvaarding en transactie in onderzoek belastingfraude KPMG-pand

  • OM heeft besloten om verdachte natuurlijke personen te dagvaarden
  • 3 oktober is een regiezitting bij rechtbank in Amsterdam
  • KPMG II betaalt 8.000.000 euro boete

Het OM heeft een transactie aangeboden aan de Joint Venture KPMG-gebouw Amstelveen II B.V. (Hierna: KPMG II), onderdeel van de KPMG-organisatie (Hierna: KPMG). De Joint Venture heeft de aangeboden transactie geaccepteerd en betaalt een boete van 8.000.000 euro voor fraude bij de bouw van het nieuwe kantoor langs de A9 in Amstelveen. Het OM verwijt KPMG II het opzettelijk onjuist doen van aangiften voor de vennootschapsbelasting over de jaren 2009/2010 en 2010/2011 en het valselijk opmaken van een realisatie overeenkomst voor de bouw van het nieuwe onderkomen van KPMG en Meijburg & Co. Het belastingvoordeel dat daarmee werd behaald is door KPMG II terugbetaald aan de Belastingdienst.

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten om vijf natuurlijke personen uit het onderzoek naar fraude bij de bouw van het nieuwe hoofdkantoor van KPMG, te dagvaarden. Het gaat om twee directieleden van KPMG II, een financieel leidinggevende van KPMG II, een indirect aandeelhouder van de vennootschap van de ondernemer die het pand zou ontwikkelen/realiseren en een notaris. Op 3 oktober is een regiezitting bij de rechtbank in Amsterdam.

Het OM verwijt de twee directieleden van KPMG II het plegen van, dan wel feitelijk leidinggeven aan belastingfraude en valsheid in geschrifte. De belastingfraude wordt ook aan de financieel leidinggevende van KPMG II verweten. De notaris zal worden vervolgd voor zijn betrokkenheid bij valsheid in geschrifte. De indirect aandeelhouder wordt het witwassen van een deel van door valsheid verkregen verdiensten verweten.

Strafrechtelijk onderzoek naar KPMG II

KPMG besloot rond 2000 tot de bouw van een geheel nieuw kantoor. Vanaf het begin stond vast dat KPMG de gebruiker van het kantoor zou worden in de vorm van huurder van een groot deel van het pand. Ze wilden het huisvestingsproject in eigen beheer voorbereiden met als uitgangspunt vóór de start van de bouw het pand te verkopen. Meijburg & Co besloot in 2004 ook zijn intrek te willen nemen in het nieuw te bouwen pand. Meijburg & Co had niets van doen met de ontwikkeling en wenste alleen als huurder op te treden. Met beide huurders was het pand volledig verhuurd.

De ontwikkeling en realisering van het gebouw werd ondergebracht in KPMG-gebouw Amstelveen II B.V. Dit was een joint venture tussen KPMG (70%) en een ondernemer die eigenaar was van een stuk grond waar het gebouw zou moeten komen (30%).

In 2006 werd een belegger gevonden die het pand wilde aankopen, echter niet zoals het oorspronkelijke projectplan om vervolgens de realisatie van de bouw te doen, maar als koper van een kant en klaar gebouw. De belegger zou het gebouw voor twee derde deel verhuren aan KPMG en voor een derde deel aan Meijburg & Co.

De ondernemer zou in eerste instantie in 2004 als gedelegeerd ontwikkelaar van KPMG II optreden. Vanwege de wijziging in 2006 gaf KPMG II opdracht aan de ondernemer om het gebouw niet alleen te laten ontwikkelen, maar om het ook te realiseren. Zo veranderde zijn rol van gedelegeerd ontwikkelaar in realisator. Het onderzoek door de FIOD startte begin 2014 naar aanleiding van een boekenonderzoek door de Belastingdienst bij de ondernemer die het nieuwe onderkomen liet ontwikkelen en realiseren. Het strafrechtelijk onderzoek is uitgevoerd onder leiding van het Functioneel Parket.

Strafrechtelijk verwijt

Uit het onderzoek door de FIOD komt naar voren dat KPMG II in haar aangiften over de jaren 2009/2010 en 2010/2011 kosten van uitgebreide huurdersvoorzieningen af heeft getrokken van haar belastbare winst, waardoor die belastbare winst daalde. Huurdersvoorzieningen (zoals bijvoorbeeld vloerbedekking, de balie van de receptie, restaurant en pantry’s) kwamen op basis van gemaakte afspraken in eerste instantie voor rekening van de huurder en niet voor rekening van de bouwer. De huurder kan deze kosten fiscaal verwerken door deze kosten gedurende de looptijd van het huurcontract af te schrijven. Op deze wijze zijn de eenmalig uitgegeven kosten van deze huurdersvoorzieningen door de jaren heen van invloed op de belastbare winsten van de huurder over die jaren. Door vaste afschrijving over die jaren dalen ook de winsten over die jaren en daarmee het bedrag aan jaarlijks te betalen belasting.

Door nu de kosten van de huurdersvoorzieningen in de aangiften van KPMG II te laten vallen en in één keer te nemen is door KPMG II een lagere belastbare winst gerealiseerd in dat ene jaar. Hierdoor is naar de mening van het OM door KPMG II een ‘belastingvoordeel’ genoten, dat huurders normaliter pas in de huurperiode daarna genieten. De kosten voor de huurdersvoorzieningen betroffen een totaal bedrag van 39.000.000 euro. In dat ene jaar werd door KPMG II een belastingvoordeel genoten van 10.000.000 euro terwijl dat belastingvoordeel door huurder KPMG had moeten worden genoten over de periode van het huurcontract van 15 jaar. Naar de mening van het OM heeft KPMG II daardoor opzettelijk onjuiste aangiften voor de vennootschapsbelasting gedaan.

Door de verkoop van het nieuwbouwpand in 2006 aan een belegger realiseerde KPMG II bij oplevering van het nieuwbouwpand in 2010 een winst van 94.000.000 euro. De ondernemer en tevens de realisator van de bouw van het pand dreigde door de voorgenomen aftrek van de huurdersvoorzieningen bij KPMG II in zijn winstpercentage van 30% benadeeld te worden. Immers de winst van de vennootschap zou met het bedrag van de huurdersvoorzieningen afnemen en daarmee daalde de resterende winst voor de ondernemer. De ondernemer bood  zich in 2006 aan als realisator van het nieuwbouwpand en heeft daarvoor een vergoeding bedongen van 12.850.000 euro, vastgelegd in een realisatieovereenkomst. De vergoeding is evenwel te herleiden tot het bedrag dat hij bij winstverdeling met verwerking van de begrote kosten van de huurdersvoorzieningen zou hebben misgelopen. De ondernemer heeft op basis van deze realisatieovereenkomst een tweetal facturen aan KPMG II gestuurd tot een totaal bedrag van 12.850.000 euro.

De betaling van de aanvullende vergoeding van 12.850.000 euro heeft KPMG II vervolgens ook in mindering gebracht op de winst, naast de kosten van de huurdersvoorzieningen. Naar de mening van het OM zijn zowel de kosten van de huurdersvoorzieningen als de kosten van de realisatievergoeding ten onrechte op de winst van KPMG II in aftrek gebracht en betreft het in feite een toedeling van winst, waardoor KPMG II opzettelijk onjuiste aangiften voor de vennootschapsbelasting heeft gedaan en de betreffende realisatieovereenkomst valselijk heeft opgemaakt.

Door deze wijze van belastingaangifte van KPMG II heeft de Belastingdienst een direct belastingnadeel geleden in de vorm van te weinig geheven vennootschapsbelasting over de ten onrechte in aftrek genomen kosten van de realisatievergoeding. Door de kosten van de huurdersvoorzieningen ten laste te brengen van het resultaat van KPMG II is in de periode 2009/2011 minder vennootschapsbelasting betaald dan verschuldigd. Als gevolg van de onjuiste aangiften door KPMG II in de betreffende jaren kon het bedrag aan te weinig geheven belasting worden becijferd op bijna 13.500.000 euro.

Indien de gehele KPMG-organisatie in beschouwing wordt genomen (met inachtneming van aftrekposten die elders in de KPMG-organisatie zouden zijn ontstaan als op juiste wijze aangifte was gedaan) zou het belastingnadeel teruggebracht zijn tot 3.250.000 euro.

Als de fraude niet zou zijn ontdekt was het belastingnadeel door de wijze van aangifte, in de vennootschap KPMG II, een bedrag van 13.500.000 euro gebleven.

Voor een meer uitgebreide beschrijving verwijzen wij naar het feitenrelaas (pdf, 344 kB).

Passende afdoening KPMG II

Het Openbaar Ministerie vindt belastingfraude en valsheid in geschrifte ernstige strafbare feiten. KPMG II heeft als onderdeel van een prominente accountantsorganisatie, een maatschappelijke voorbeeldfunctie. Als controleur van jaarrekeningen van bedrijven dienen zij zelf financieel en fiscaal onberispelijk te handelen. Belastingfraude en valsheid in geschrift ondermijnen het systeem van belastingheffing.

KPMG accountants N.V. (onderdeel van de KPMG-organisatie) betaalde eerder een transactie van 7.000.000 euro voor haar rol als accountant bij fraude door Ballast Nedam (link naar persbericht: https://www.om.nl/actueel/nieuwsberichten/@32396/kpmg-treft-schikking/). Het Openbaar Ministerie acht het van belang dat de (strafbare)feiten waarvoor nu getransigeerd wordt, zijn begaan in de periode vóórdat de eerdere transactie met KPMG accountants N.V. in gang was gezet en dus ook vóórdat het nieuwe compliance-beleid was opgestart. Zodoende kan niet gezegd worden dat er sprake is van recidive. In plaats daarvan past de door KPMG in het onderhavige onderzoek getoonde medewerking aan het onderzoek binnen het toegezegde – en tegenwoordig geldende – compliance-beleid.

Het OM ziet de aangeboden transactie in de vorm van een boete van 8.000.000 euro als passend. De strafrechtelijke reactie bevat een straf (geldboete). Het nadeel dat de Belastingdienst heeft geleden is terugbetaald aan de Belastingdienst (herstel). Daarnaast bevat de reactie een preventiecomponent (compliance).

Geldboete

De verdachte is een rechtspersoon, aan wie enkel een vermogensstraf kan worden opgelegd. Het voorliggende transactiebedrag acht het OM een passende sanctie die pijn doet en recht doet aan de ernst van de feiten en de geschokte rechtsorde.

Herstel

De Belastingdienst heeft over de betreffende belastingjaren aanslagen opgelegd overeenkomstig de uitkomsten van het opsporingsonderzoek. KPMG II heeft de door de Belastingdienst opgelegde aanslagen vennootschapsbelasting, de naheffingsaanslagen Omzetbelasting (met 25% boete) en de in aanmerking genomen heffingsrente betaald. KPMG II heeft haar eerder ingediende bezwaarschriften tegen de aanslagen ingetrokken. Met deze betalingen is het volledige onterecht verkregen directe voordeel in de vorm van te weinig geheven belasting terugbetaald aan de rechthebbende. Daarmee is aan KPMG II het belastingvoordeel ontnomen. KPMG N.V. schrijft de kosten van deze huurdersvoorzieningen van 39.000.000 euro af over de looptijd van het huurcontract van 15 jaar.

Compliance

In recente gesprekken tussen het Openbaar Ministerie enerzijds en vertegenwoordigers van KPMG II en KPMG anderzijds heeft KPMG uitdrukkelijk te kennen gegeven volledig in het reine te willen komen ten opzichte van het verleden en heeft zij dit voorts gemotiveerd en naar tevredenheid van het Openbaar Ministerie aangetoond.

Daarnaast heeftKPMG, die voor 70% eigenaar is van de verdachte KPMG II, in Nederland aangetoond zich in brede zin bewust te zijn van de noodzaak te komen tot wijzigingen in haar gehele organisatie. Het veranderprogramma, dat reeds ten tijde van de Ballast Nedam-transactie was ingezet en waarmee KPMG is verdergegaan, is daar een onderdeel van en gericht op het herstel van het maatschappelijk vertrouwen. Onderdeel van dat programma is dat de governance ingrijpend is gewijzigd: de Raad van Commissarissen bestaat thans geheel uit externe leden.

Uitspraak rechtbank

De rechtbank heeft op 5 april 2019 vier gedagvaarde natuurlijke personen en twee rechtspersonen vrijgesproken.

De notaris was al eerder door de rechtbank buiten vervolging gesteld.

Het Openbaar Ministerie heeft van drie van de zes vonnissen van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

In één van die vonnissen, waarvan hoger beroep, heeft de rechtbank over het in 2017 door het OM uitgebracht persbericht geoordeeld dat de berichtgeving in dat persbericht een schending oplevert van Europees recht. In het persbericht van het OM naar aanleiding van de strafeisen op zitting op 24 januari 2019 is door middel van een hyperlink een verwijzing opgenomen naar dit persbericht. De rechtbank stelt in zijn vonnis van 5 april 2019 vast dat door naar dit persbericht te verwijzen een onherstelbaar vormverzuim heeft plaatsgevonden en dat opnieuw het Europese recht is geschonden, maar ook dat dit op zichzelf niet voldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat de strafprocedure ten opzichte van deze persoon in haar geheel niet meer voldoet aan het recht op een eerlijk proces en dat het OM ontvankelijk is in zijn vervolging.

De rechtbank heeft in 2017 en bij vonnis in 2019 uitgesproken dat het persbericht in 2017 en de verwijzing daarnaar in het persbericht van 2019 schadelijk was voor de strafrechtspleging in het algemeen en voor één van de verdachten in het bijzonder. Die schadelijkheid bestond hierin dat in het persbericht van 2017 een functie-aanduiding was opgenomen die herleidbaar was tot de verdachte en dat in dat persbericht door het OM geen enkele terughoudendheid was betracht ten aanzien van de naar de mening van het OM gepleegde strafbare feiten en de verantwoordelijken daarvoor. In het persbericht ontbrak volgens de rechtbank de opmerking dat het aan de rechter is om te feiten vast te stellen en te bepalen wie daaraan schuldig zijn.