Een 38-jarige man uit Haarlem moest zich op donderdag 19 maart voor de rechter verantwoorden omdat hij ervan wordt verdacht zich als ambtenaar bij de gemeente Haarlem, schuldig te hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte en oplichting. De man had op slinkse wijze, door misbruik te maken van zijn functie als planjurist bij de gemeente, het mogelijk gemaakt dat een stuk gemeentegrond in Bentveld ver beneden de waarde aan zijn moeder was verkocht, waarop, na een valselijk gewijzigde bestemming, een huis mocht worden gebouwd. De rol van de moeder hierbij is onderzocht maar zij is geen verdachte meer in deze zaak.
Op 5 februari 2024 deed de gemeente aangifte. De Rijksrecherche begon toen (omdat het een ambtenaar betreft) een onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie.
De verdachte werkte sinds 2013 bij de gemeente Zandvoort, na de ambtelijke fusie met de gemeente Haarlem vanaf 2018 voor die gemeente. Hij werkte daar tot 1 april 2023. In die periode legde hij twee keer de ambtsbelofte af waarin hij onder andere beloofde zijn plicht nauwgezet te vervullen.
De gemeente kreeg begin 2024 het vermoeden dat de man vanuit zijn functie als ambtenaar bij de gemeente door valsheid in geschrifte en oplichting te plegen, een stuk grond dat was aangewezen als ‘groen’ in Bentveld, had laten wijzigen naar ‘wonen en tuin’, om vervolgens het stuk grond met gebruik van een vervalste verkoopovereenkomst en volmachten namens de gemeente via de notaris aan zijn moeder te verkopen. Kort na de levering eind 2022 ontstond al het vermoeden dat iets niet klopte, hetgeen later werd bevestigd bij de voorbereiding van de kadastrale grensaanwijzing van het bewuste perceel. Vervolgens deed de gemeente aangifte.
Uit het onderzoek kwam naar voren dat de man waarschijnlijk al sinds het voorjaar van 2021 bezig was met het uitvoeren van zijn plan om het stuk grond in Bentveld via zijn moeder te bemachtigen. Dit ver beneden de normale prijs voor een perceel om op te wonen in Bentveld. Het stuk grond werd namelijk aangekocht voor €15.000,- terwijl het met woonbestemming een waarde van €330.000,- had.
Als planjurist werkte de man bij de afdeling Omgevingsbeleid waar hij als projectleider betrokken was bij en verantwoordelijk was voor de herziening van het bestemmingsplan Bentveld.
Hij begon met de eerste stappen in zijn plan toen hij een collega, Assetmanager vastgoed, voorstelde een stuk grond met de bestemming ‘groen’, voor een symbolisch bedrag te verkopen.
De verdachte gaf vervolgens als contactpersoon namens de gemeente een adviesbureau dat bezig was met het bestemmingsplan Bentveld opdracht om de bestemming van het perceel te veranderen van ‘groen’ naar ‘wonen en tuin’. Dit is het eerste document dat de verdachte valselijk liet opmaken. De verdachte heeft vervolgens binnen de gemeente niets gezegd over deze aanpassing van het bestemmingsplan en het plan zonder dat men ervan wist in stemming laten brengen, waarna de bestemmingswijziging van het perceel werd vastgesteld.
De andere geschriften betreffen de verkoopovereenkomst van het perceel en de daaraan gehechte verkooptekening. Deze moesten ondertekend worden door de afdelingsmanager Vastgoed maar deze zegt de stukken niet ondertekend te hebben. Ook waren er twee volmachten uit naam van deze afdelingsmanager getekend, terwijl hij van niks wist. Uit het onderzoek blijkt dat de verdachte de handtekeningen en parafen van de afdelingsmanager moet hebben vervalst. Wanneer hij lastige vragen kreeg van collega’s over het perceel en de verkoop, verzon hij een antwoord. Bijvoorbeeld door te zeggen dat het puur toeval was dat de koper dezelfde aangetrouwde achternaam had als de verdachte.
Ernst van de feiten
De officier van justitie benoemde ter zitting dat de man misbruik heeft gemaakt van zijn positie. Dit is zeer ernstig, want voor het goed functioneren van een democratische samenleving is het belangrijk dat de burgers vertrouwen hebben in de overheid. Ambtenaren die voor eigen belang misbruik maken van hun positie. Zoals deze verdachte die vanuit zijn functie, door valsheid in geschrifte en oplichting te plegen, een stuk grond wist te bemachtigen ver onder de marktwaarde. Hiermee heeft hij het aanzien en de integriteit van de gemeente en daarmee de overheid schade toegebracht, dit weegt strafverzwarend. Hij heeft ook het vertrouwen dat zijn werkgever, zijn collega’s en het adviesbureau waar hij mee werkte beschaamd. Ook heeft hij de mensen die hem vertrouwden, betrokken in een strafrechtelijk onderzoek van de Rijksrecherche. Zo werd zijn eigen moeder verdacht van medeplichtigheid.
Inmiddels is het stuk grond weer in eigendom van de gemeente, na het uitkomen van de fraude hebben de verdachte en zijn moeder hieraan meegewerkt.
De verdachte is al door een civiele rechter veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de gemeente van €43.493,18.
Verdachte zegt zelf dat hij voor zijn moeder iets terug wilde doen en haar de kans wilde geven een huis te bouwen waar zij met haar zussen in kon wonen. De officier van justitie wijst dat van de hand: het gaat om puur financieel gewin waar de verdachte op termijn zelf veel voordeel bij zou hebben.
Zij neemt het de verdachte ook kwalijk dat er sprake was van een meerjarenplan: het was geen impulsieve daad.
Dit alles weegt wat betreft het OM strafverzwarend en wat betreft het OM is een gevangenisstraf passend en geboden. Wat betreft het OM moet hier ook een voorwaardelijk deel aan worden gekoppeld omdat de verdachte weer voor een gemeente is gaan werken op het moment dat hij wist dat er een strafzaak en civiele procedure tegen hem liep. Het OM vindt het niet wenselijk dat de verdachte weer een soortgelijke functie zou kunnen uitvoeren bij de overheid.
Dat alles afwegende komt het OM tot de volgende strafeis: een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
Daarnaast krijgt de verdachte wat betreft het OM als bijkomende straf een verbod opgelegd om als adviseur voor een overheidsinstantie te werken voor de maximale duur van vijf jaar óf dat hij bovenstaande als bijzondere voorwaarde krijgt opgelegd tijdens de proeftijd, mocht de rechtbank een beroepsverbod niet aan de orde vinden.