Het Openbaar Ministerie (OM) heeft in een periode van ruim een jaar 11 meldingen ontvangen van het Analysebureau Luchtvaartvoorvallen (ABL) over vliegtuigen die door een zogenoemd valschermspringgebied vlogen. De meldingen zijn overeenkomstig de samenwerkingsafspraken doorgegeven, omdat het ABL daarin een vermoeden van grove nalatigheid zag.[i] 

Valschermspringgebieden zijn gebieden die in het luchtruim zijn aangewezen voor activiteiten van parachutisten. Wanneer een ander vliegtuig zo’n gebied binnenvliegt terwijl er parachutisten actief zijn, dan kan dat gevaarlijke situaties opleveren.

Een groot deel van de gemelde voorvallen vond plaats in de omgeving van Breda International Airport. In drie gevallen was sprake van een zogeheten near-miss tussen een vliegtuig en een parachutist. Uit de meldingen en de onderzoeken naar aanleiding van een aantal van die meldingen blijkt dat het doorkruisen met een vliegtuig van een actief springgebied een reëel veiligheidsrisico vormt.

Vluchtvoorbereiding cruciaal

Een ‘valschermspringgebied’ is geen verboden luchtruim. Vliegtuigen mogen door het gebied vliegen, maar vliegers moeten extra alert zijn wanneer het actief is en rekening houden met parachutisten.

Het OM benadrukt dat een zorgvuldige vluchtvoorbereiding cruciaal is. In dit verband is onder meer van belang dat piloten:

  • de procedures in de Nederlandse luchtvaartgids (Aeronautical Information Publication) bestuderen,
  • daarnaast de digitale vliegkaart van LVNL raadplegen (kaart die in 2020 is gelanceerd om vliegers in de vluchtvoorbereiding te ondersteunen),
  • controleren of een springgebied actief kan zijn door actief informatie opvragen bij de betreffende havendienst en tijdens de vlucht goed naar het radioverkeer luisteren en
  • een route te kiezen waarmee actieve springgebieden zo veel mogelijk worden vermeden. 

Op grond van de Wet luchtvaart rust er op de gezagvoerder de verantwoordelijkheid om tijdens de vlucht geen gevaar te veroorzaken voor anderen (art. 5.3). Daarnaast moet de vlucht zorgvuldig worden voorbereid met het oog op mogelijke veiligheidsrisico’s (art. 5.8).

Onderzoek naar meldingen

Het OM heeft naar aanleiding van de vrijwel alle meldingen een onderzoek ingesteld. In één geval is daarvan afgezien, omdat de betrokken gezagvoerder zelf melding had gedaan aan het ABL, daarin openheid van zaken had gegeven en in gesprek was met de andere betrokkenen. In die situatie achtte het OM maatregelen gericht op veiligheid en bewustwording effectiever dan het instellen van een strafrechtelijk onderzoek.

In negen zaken is het onderzoek vroegtijdig beëindigd of is de zaak geseponeerd. Dit betekent dat het OM niet overgaat tot vervolging en iemand ook geen verdachte meer is. In die gevallen bleek na onderzoek dat de concrete gevaarzetting en/of de mate van verwijtbaarheid moest worden genuanceerd. Bovendien gaven verschillende gezagvoerders uitleg over hun handelen. Het OM vond het in die situaties belangrijker dat er lessen uit het voorval werden getrokken dan dat de strafrechtelijke procedure werd voortgezet.

In één zaak heeft het OM een transactievoorstel van € 2.000 gedaan. Daarbij vloog een toestel door een actief springgebied bij Hilversum, waardoor een near-miss met een parachutist ontstond. Uit het onderzoek bleek volgens het OM dat sprake was van een gebrekkige vluchtvoorbereiding en het niet naleven van de uitvliegprocedure. De verklaring van de gezagvoerder dat hij voor ander verkeer moest uitwijken, werd gelet op de resultaten van het onderzoek niet geloofwaardig geacht. Het OM nam verder in aanmerking dat de verdachte het verkeerde van zijn handelen niet inzag en vooral in de richting van anderen wees.

Meld voorvallen zelf

Het OM benadrukt het belang dat vliegers zelf melding maken van voorvallen bij het Analysebureau Luchtvaartvoorvallen (ABL). Dat helpt om voorvallen beter te begrijpen en trends in het luchtruim te signaleren, maar ook het perspectief van de vlieger mee te wegen wanneer op basis van andere informatie een vermoeden van opzet of grove nalatigheid in beeld kan komen. Van het totaal aantal voorvalmeldingen (de afgelopen twee jaar waren dat er zo’n 30.000) is dat slechts bij een bijzonder klein percentage aan de orde en de eigen melding kan dat daadwerkelijk verschil maken.

Dat blijkt ook uit deze zaken. In vrijwel alle gevallen waarin een onderzoek werd ingesteld, had de vlieger zelf geen melding had gedaan – ook niet wanneer de vlieger door anderen op het voorval was gewezen. Voor het OM was de in het kader van het onderzoek verstrekte informatie in verschillende gevallen aanleiding om het onderzoek te beëindigen.

Verantwoord omgaan met gedeeld luchtruim

Begin maart hebben de luchtvaartpolitie en het OM in Breda een overleg gehad met betrokken partijen uit de luchtvaartsector. Daarbij kwam naar voren dat het probleem bij dit soort voorvallen vermoedelijk samenhangt met onbekendheid met springgebieden, de mindset van vliegers en de kwaliteit van de vluchtvoorbereiding.

Het Nederlandse luchtruim wordt door verschillende gebruikers gedeeld. Het OM benadrukt daarom het belang dat vliegers de beschikbare informatie meenemen in de vluchtvoorbereiding en bij twijfel actief informatie opvragen via de radio of bij de betreffende havendienst. Het delen van het luchtruim vraagt om verantwoordelijkheid en rekening houden met elkaar. Wanneer zich desondanks een voorval voordoet, wordt verwacht dat dit wordt gemeld, dat daarvan wordt geleerd en dat contact wordt opgenomen met de andere betrokkenen om na te gaan of er behoefte bestaat om het voorval na te bespreken.

[i] Het OM en het ABL hebben in het kader van Just Culture samenwerkingsafspraken gemaakt. Deze afspraken houden kort samengevat in dat het OM in principe geen toegang heeft tot voorvalmeldingen die met het oog op een mogelijke veiligheidsanalyse worden gedaan, maar dat het ABL deze meldingen aan het OM doorgeeft als het vermoedt dat de grenzen van Just Culture zijn overtreden. Dit betekent dat het OM wordt geïnformeerd, indien (mede) op basis van een melding wordt vermoed dat sprake is van opzet of grove nalatigheid. Voor meer informatie zie onderdeel 3.1 van de Aanwijzing opsporing en vervolging bij voorvallen in de burgerluchtvaart.