NRC publiceerde op 16 juni een artikel over hoge transacties en de commissie die het College van procureurs-generaal advies geeft over een voorgenomen hoge transactie. In dit bericht geeft het OM zijn reactie op dat artikel.

Een hoge strafbeschikking is een principieel ander instrument dan de hoge transactie. Een transactie is een consensuele afdoening van een strafzaak, oftewel een afdoening waar alle partijen mee hebben ingestemd. Door te voldoen aan voorwaarden die door het OM zijn gesteld, vaak het betalen van een geldsom en het treffen van maatregelen, voorkomt een verdachte strafvervolging.

Met een strafbeschikking wordt aan de verdachte een straf opgelegd en is er dus wel sprake van strafvervolging. Het opleggen van een strafbeschikking is dus zwaarder dan het sluiten van een overeenkomst in de vorm van een transactie.

Voor de verdachte (meestal een rechtspersoon in dit soort zaken) kan een transactie bepaalde voordelen hebben. Zo kan een verdachte rechtspersoon in het zakelijke verkeer blijven meedoen bij aanbestedingen of het krijgen van vergunningen. Er vindt geen formele schuldvaststelling plaats. Het OM vindt een transactie tegenwoordig meer op zijn plaats als sprake is van een bekennende verdachte, een verdachte die voor het eerst de fout in is gegaan en door de rechtspersoon maatregelen worden genomen om herhaling te voorkomen. Wanneer de verdachte de strafbare feiten niet erkent of wanneer sprake is van recidive en geen preventieve maatregelen door de rechtspersoon worden genomen, vindt het OM dat een rechtspersoon er niet te makkelijk van af mag komen. Dan is een (hoge) transactie minder aangewezen.

Het opleggen van een straf kan volgens de wet op twee manieren: met het opleggen van een strafbeschikking of door de verdachte voor de rechter te brengen met een dagvaarding. Omdat rechterlijke procedures in dit soort financieel ingewikkelde zaken meestal heel lang duren en bij een bewezenverklaring ook alleen kunnen eindigen met een boete, is een strafbeschikking vaak een beter alternatief waarmee een zaak (veel) sneller kan worden afgedaan. Om die reden kiest het OM steeds vaker voor een strafbeschikking. Het OM maakt hier gebruik van de ruimte die de wet sinds 2008 biedt en doet dat om verstopping van de strafrechtsketen te voorkomen en maximaal op te treden tegen rechtspersonen die de wet overtreden. Als een procedure lang duurt, compenseert de rechter dit bovendien in de straf die daardoor lager uitvalt. Met een hoge strafbeschikking wordt het OM minder en de rechtspraak helemaal niet belast. Het naar de rechter brengen van de zaken die nu met een hoge strafbeschikking worden afgedaan zou een enorme werkverzwaring voor het OM en de Rechtspraak betekenen.

Vanwege het uitblijven van een openbare terechtzitting is het van belang dat het publiek kennis kan nemen van een afdoening van een strafzaak door middel van een hoge transactie. Daarom wordt bij alle hoge transacties een persbericht gepubliceerd. Dat gebeurt doorgaans ook bij hoge strafbeschikkingen, zoals die aan rechtspersonen worden opgelegd.

De toetsingscommissie hoge transacties

In 2020 werd de toetsingscommissie hoge transacties (CHT) ingesteld door het College van procureurs-generaal. Dit was na de kritiek die politiek en maatschappij hadden op de hoge transactie omdat de vrees bestond dat de rechtspersonen te makkelijk hun strafvervolging konden afkopen.

De CHT is opgericht als tijdelijk adviesorgaan in afwachting van een wettelijke regeling waarbij de hoge transactie zal worden getoetst door de rechter. De belangrijkste taak van de CHT is het adviseren van het College of het OM terecht en niet te lichtvaardig wil afzien van strafoplegging. Het betreft derhalve een marginale toets die mede wordt gerechtvaardigd door het feit dat het gaat om rechtspersonen die die dikwijls bijgestaan worden door een team gespecialiseerde strafrechtadvocaten.

De CHT kent de volgende samenstelling: Jan Crijns, Frits van Straelen, Lida de Jonge, Hendrik Jan Biemond en per 1 juni 2026 is Hanneke Schipper-Spanninga benoemd als nieuwe voorzitter. Jan Crijns en Hendrik Jan Biemond hebben aangegeven dat zij in verband met andere werkzaamheden de CHT verlaten. Vorig jaar besloot het College tot verdere ontwikkeling van de CHT, zoals gebruikelijk bij dit type kwaliteitsinstrumenten. In die besluitvorming heeft het College de leden die toen deel uitmaakten van de CHT gekend. Het College is hen erkentelijk voor het constructieve gesprek dat zij daarover met de CHT hebben gevoerd. Het College is bekend met de kritiek die door Marcel van Oosten en Alice Faber naar voren is gebracht, maar heeft op enkele punten andere keuzes gemaakt. Zo is de benoemingstermijn van de CHT-leden bewust gemaximeerd om te waarborgen dat hun werkervaring blijft aansluiten bij de casuïstiek waarover zij adviseren.

Het College heeft steeds gekeken hoe het beter aan de wensen van de CHT kon voldoen. Dit is een proces dat zorgvuldige overdenking vergt, waarbij verschillende belangen moeten worden afgewogen. Tegenover de wens van de CHT om meer informatie uit de strafzaak te ontvangen staan de rechten van de verdachte dat terughoudend wordt omgegaan met het delen van strafvorderlijke informatie. Dit geldt in het bijzonder bij dit type zaken – waarin geen sprake is van een schuldvaststelling of het opleggen van een straf. Onderdeel van dit goede gesprek is dat het College heeft toegezegd welwillend te blijven kijken naar de informatieverstrekking aan de CHT. In nieuwe zaken voorziet het College de CHT nu op voorhand reeds van meer informatie over het bewijs. Daarnaast behoudt de commissie – net als in het verleden – ook in de toekomst de mogelijkheid om bij voorgenomen benoemingen van nieuwe commissieleden daartegen indien nodig bezwaar te maken. Zoals gezegd zal de CHT, net als andere adviesorganen, zich blijven ontwikkelen. Het College staat daarbij altijd open voor voorstellen die de kwaliteit ten goede komen. Ook is het bereid om te bezien of en op welke manier het uitvaardigen van hoge strafbeschikkingen van extra waarborgen kan worden voorzien.

Het College betreurt het dat Alice Faber en Marcel van Oosten hun vertrek aankondigden, voordat het College bij het laatste overleg tussen commissie en College deze toezeggingen kon bespreken. Bij hun afscheid heeft het College zijn grote waardering uitgesproken voor hun inzet en bedankt voor hun betrokkenheid en de zorgvuldige advisering gedurende de afgelopen jaren. Hun bijdragen hebben een waardevolle rol gespeeld binnen de CHT. Uit deze reeds uitgebrachte adviezen volgt dat de aan de CHT verstrekte informatie steeds voldoende is geweest om het gevraagde advies uit te brengen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de benoeming van de huidige commissieleden, hun aanstellingstermijn of de ondersteuning van de CHT door medewerkers van het OM aan onafhankelijke advisering in de weg heeft gestaan.

Toekomst

Omdat steeds vaker van de mogelijkheid van de hoge strafbeschikking gebruik wordt gemaakt, wordt op dit moment gewerkt aan beleid waarin wordt beschreven wanneer dat op zijn plaats is en hoe de procedure dient te verlopen. Voor een deel zal dat beleid codificatie zijn van staande praktijk en in voorkomende gevallen ook – wanneer dit niet strijdt met de rechten van de verdachte – tevens het uitbrengen van een persbericht.

Daarnaast wordt gekeken of en hoe de transparantie over de praktijk kan worden vergroot en of en hoe in het kader van de procedure extra waarborgen kunnen worden ingebouwd. Passend bij de aard van de bevoegdheden die het OM heeft om hoge transacties en hoge strafbeschikkingen uit te vaardigen, heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad (PGHR) kenbaar gemaakt een toezichthoudend onderzoek te starten naar de wijze waarop het OM van deze bevoegdheden gebruik maakt. Het College is positief over dat voornemen en wacht met belangstelling de resultaten daarvan af teneinde de kwaliteit van het werk verder te kunnen verbeteren en te betrekken bij de verdere beleidsvorming.  

Het College zal in vervanging van de vertrekkende leden voorzien.

Hieronder twee voorbeelden van persberichten van een hoge strafbeschikking:

Boete van 14 miljoen euro voor ABN AMRO voor medeplichtigheid aan dividendbelastingontduiking door een andere bank

en

Geldboete 101 miljoen voor Morgan Stanley wegens dividendbelastingontduiking.