Op woensdag 21 oktober vond er een luchtvaartzitting plaats waar drie verdachten voor de rechter moesten verschijnen. In één zaak werd de verdachte vrijgesproken. Het OM heeft vandaag, donderdag 29 oktober, besloten om in hoger beroep te gaan in die zaak. 

Bijna-botsing
De eerste verdachte was een 75-jarige man uit Hoevelaken. Hij wordt ervan verdacht dat hij op 29 september 2025 een bijna-botsing (een ‘near-miss) zou hebben veroorzaakt als bestuurder van een vliegtuig. Het OM eiste een geldboete van €2000,- euro en een voorwaardelijke vliegontzegging van zes maanden. De rechter sprak de man vrij. Het OM gaat in deze zaak in hoger beroep.

Na het incident wilde de bestuurder van het andere vliegtuig, de verdachte aanspreken, maar hij wilde niet met de man praten en gaf hem de schuld van het incident. De man deed toen een melding, waarna er een onderzoek volgde van de luchtvaartpolitie. Uit dit onderzoek kwam dat de verdachte de baan waar hij gebruik van maakte, niet juist had aangevlogen en vervolgens het verkeercircuit op het verkeerde punt invloog. De melder vloog op dat moment in de buurt van dat punt in het circuit. Omdat hij in het circuit vloog, had hij voorrang. Hij was bezig met het oefenen van touch and go’s en verklaarde dat ook via de radio te hebben gemeld. De verdachte verklaarde dat niet te hebben gehoord en ging ervan uit dat de melder het circuit zou uitvliegen. Bij het indraaien naar het circuit – het was een scherpe bocht naar rechts – zag de verdachte het toestel van de melder niet. De verdachte is daarna op een afstand van zo’n 150 voet (bijna 46 meter) over het toestel van melder heen gevlogen. Door deze geringe afstand had de melder nauwelijks ruimte om uit te wijken. 

Meerdere verklaringen
De verdachte gaf meerdere verklaringen. Tegenover de politie verklaarde hij dat de melder richting het exit punt vloog, dat hij geen melding via de radio heeft gehoord en dat de melder hem vervolgens heeft ingehaald. De melder had volgens hem niet opgelet. In een schriftelijke reactie op de toelichting waarom de verdachte werd gedagvaard, liet de verdachte weten dat hij dacht dat het circuit vrij was en dat de melder het circuit verliet. Pas toen hij de melder rechts voor hem zag en hem via de radio aansprak, realiseerde hij zich dat de melder een andere koers volgde. Op de zitting herhaalde de verdachte dat hij dacht dat de melder het circuit zou verlaten, maar voegde daar voor het eerst aan toe dat hij zelf bezig was met een verkenningsronde en niet met een nadering van het circuit. Hij zou langs het circuit hebben gevlogen om de situatie op te nemen en toen plotseling zijn geconfronteerd met het toestel van de melder. Volgens de verdachte moest hij daarom uitwijken om een botsing te voorkomen. Alleen om die reden kwam hij via de onjuiste wijze in het circuit terecht.  

Op zitting toevoeging aan verklaring
De officier van justitie merkte op dat uit niets bleek dat de verdachte bezig was met een verkenningsronde. Dit verklaarde hij pas ter zitting. De officier van justitie benoemde dat de melder voorrang had omdat hij in het circuit vloog en dat de verdachte er niet zomaar vanuit had mogen gaan dat hij het circuit zou verlaten. 
‘Als de verdachte het circuit op de juiste wijze was genaderd, het circuit op het juiste punt binnen was gevlogen en had gecontroleerd of verdachte het circuit daadwerkelijk zou verlaten, was er nooit sprake geweest van een near-miss.’ 
Ook nam de officier van justitie het de verdachte kwalijk dat hij niet op een behoorlijke manier in gesprek is gegaan met de melder en weinig heeft gereflecteerd op zijn eigen handelen. In de visie van het Openbaar Ministerie legt de verdachte het accent van het gebeurde ten onrechte steeds bij de melder. Een gesprek met de melder wilde de verdachte pas nadat de vervolgingsbeslissing was genomen. Op dat moment had de melder aan dat gesprek geen behoefte meer. Hij had het voorval achter zich gelaten en wilde zich niet meer mengen in de zaak. In de luchtvaart staat veiligheid voorop en moet worden geleerd van fouten. De verdachte lijkt daar niet toe bereid en daarom kwam de officier van justitie tot de volgende strafeis: een geldboete van €2000,- euro en een voorwaardelijke vliegontzegging van zes maanden. 

Vrijspraak, OM in hoger beroep
De kantonrechter sprak de verdachte vrij. De verdachte had verklaard dat hij het radiobericht waarop de melder aangaf met oefeningen bezig te zijn, niet had gehoord. Er kan daarom volgens de rechter niet worden vastgesteld dat de verdachte wist wat de melder aan het doen was. 
Ook gaat de rechter uit van de verklaring van de verdachte dat hij bezig was met een verkenningsronde. Volgens de kantonrechter kwam de verdachte wel op een ‘cowboy-achtige wijze’ het circuit binnengevlogen, maar had daarmee wel de juiste manoeuvre ingezet om een botsing te voorkomen. 

Het Openbaar Ministerie is het niet eens met deze beslissing en zal in hoger beroep gaan. 

Drone boven Erasmusbrug
In de tweede zaak stond een 26-jarige man uit Naaldwijk terecht. Hij werd ervan verdacht dat hij op 13 januari 2026 in Rotterdam met een drone vloog en hierbij diverse regels overtrad. Zo vloog hij met zijn drone rondom de Erasmusbrug. Dit mag niet want dit is een gebied dat binnen de Rotterdam CTR ligt. Binnen een CTR mag in de open categorie niet met een drone worden gevlogen. Ook vloog hij terwijl het donker was, iets wat niet mag en hij had geen exploitantnummer op de drone aangebracht.  
Het OM vindt dat de verdachte voor deze drie feiten een geldboete van in totaal €600,- moet betalen (€250,- voor feit 1, €250,- voor feit 2 en €100 euro voor feit 3). 
De kantonrechter heeft de verdachte bij verstek veroordeeld tot het betalen van deze geldboetes.

Drone boven Amsterdam
De laatste verdachte die voor de rechter moest verschijnen, was een 45-jarige man uit Amsterdam. Hij vloog op 10 mei 2025 boven Amsterdam met een drone binnen een CTR, namelijk de Schiphol CTR. Ook hij had geen exploitantnummer aangebracht op de drone. Bovendien was de verdachte tijdens het besturen van de drone onder invloed van alcohol. 
De politie zag de drone die dag in de omgeving van de Hermitage, toen de politie daar zelf met een drone aan het vliegen was in verband met politiewerkzaamheden. De politie had wel de bevoegdheid om daar te vliegen, maar moest haar werkzaamheden met de drone staken uit veiligheidsoverwegingen. De politie zag dat verdachte de drone bestuurde en sprak hem aan. Bij het aanspreken rook de politie een alcoholgeur bij de man. Vervolgens bleek na nader onderzoek dat verdachte daadwerkelijk te veel alcohol had gedronken. 

Spijtbetuiging verdachte
De verdachte betuigde op zitting spijt. Hij gaf aan dat hij zijn papieren allemaal op orde heeft en dat hij weet dat het daar niet is toegestaan om te vliegen. Hij was de regels even kwijt omdat hij had gedronken. Pas achteraf kwam het besef dat hij in de fout was gegaan. Hij vliegt nu alleen nog maar op locaties waar dat is toegestaan én heeft inmiddels zijn exploitantennummer op de drone aangebracht.
Volgens de officier van justitie kunnen alle feiten bewezen worden. Bij het vliegen onder invloed zag hij wel een vormverzuim, omdat voor de ademanalyse niet de juiste procedure had plaatsgevonden. Naar zijn oordeel moet de uitslag daarom worden uitgesloten van het bewijs. Nu de politie wel alcohol heeft geroken en verdachte heeft gezegd dat hij onder invloed was van alcohol, kan naar oordeel van het OM wel worden bewezen dat de verdachte onder invloed van alcohol een drone heeft bestuurd. Dat de hoeveelheid alcohol niet kan worden vastgesteld, doet daar niets aan af. 

Eis en uitspraak
De officier van justitie heeft voor het besturen onder invloed van alcohol een geldboete ter hoogte van €275,- geëist, voor het vliegen binnen de CTR Amsterdam een boete ter hoogte van €500,- 
waarvan €250,- voorwaardelijk en voor het niet aanbrengen van het exploitantennummer een boete ter hoogte van €100,- voorwaardelijk. 
De politierechter heeft de eis gevolgd voor de laatste twee overtredingen. De verdachte is in totaal veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van €600,- waarvan €350,- voorwaardelijk. De politierechter heeft de verdachte vrijgesproken voor het vliegen onder invloed omdat – door het uitsluiten van het bewijs – het ademalcoholgehalte niet kan worden vastgesteld en er daardoor niet kan worden bewezen of en hoeveel het alcoholgehalte is geweest.