Jaarlijks vinden er op de Nederlandse wegen duizenden verkeersongevallen plaats waarbij mensen ernstig gewond raken of komen te overlijden. Bij veel van die ongevallen wordt door de politie onderzoek gedaan.

Een belangrijke vraag die men daarbij probeert te beantwoorden is: is er sprake van schuld? Dat is lang niet altijd het geval. Althans, niet in strafrechtelijke zin. Blijkt uit onderzoek dat dat wel het geval is dan wordt er bovendien onderscheid gemaakt tussen verschillende gradaties van schuld. Het uitsluitend vertonen van gevaarlijk rijgedrag, ook als er een aanrijding volgt, is geen misdrijf, maar een overtreding, strafbaar gesteld in artikel 5 van de Wegenverkeerswet (WVW). Veel van die zaken worden afgedaan door de kantonrechter. Is er sprake van ‘aanmerkelijke schuld’ of van ‘roekeloosheid’, zoals de wet het omschrijft, dan kan een verdachte bij een ernstige aanrijding vervolgd worden op basis van artikel 6 WVW. Die zaken worden meestal behandeld door de meervoudige kamer, waarbij strafmaxima gelden van respectievelijk 3 en 6 jaar onvoorwaardelijke celstraf, vaak in combinatie met een rijontzegging voor langere tijd. Was een verdachte op het moment van het ongeval ook nog onder invloed van alcohol of drugs, dan geldt een strafmaximum van 9 jaar. In dat laatste geval kan het OM er ook voor kiezen een verdachte niet te vervolgen op basis van de Wegenverkeerswet, maar hem of haar doodslag ten laste te leggen, wat ook regelmatig gebeurt.

In 2025 stroomden er bij het OM ruim 700 nieuwe artikel 6 WVW-onderzoeken in. De ongevallen op basis waarvan die onderzoeken plaatsvinden zijn ernstig. Vrijwel altijd is er sprake van zwaargewonde en/of dodelijke slachtoffers. De impact op alle betrokkenen en op hun nabestaanden is groot. Het is daarom belangrijk dat dergelijke onderzoeken zo snel mogelijk worden afgerond. Voor het rechtvaardigheidsgevoel en het verwerkingsproces van slachtoffers en nabestaanden, maar ook voor een verdachte, die mogelijk een jarenlange gevangenisstraf boven het hoofd hangt, en wil weten waar hij of zij aan toe is.

Binnen de strafrechtketen hanteren politie, OM en Rechtspraak daarom gezamenlijk afgesproken streefnormen. Het streven is om in ten minste 85% van de artikel 6 WVW-zaken de tijd tussen incident en vonnis niet langer te laten duren dan 450 dagen. In de praktijk nemen de meeste zaken echter meer tijd in beslag. Artikel 6 WVW-onderzoeken vragen veel politiecapaciteit en het organiseren van verkeerstechnisch onderzoek kost tijd, net als het analyseren van de onderzoeksresultaten. Verdachten in artikel 6 WVW-onderzoeken worden bovendien zelden in voorlopige hechtenis genomen, ze wachten hun rechtszaak in vrijheid af, waardoor ze bij de rechtbank geen prioriteit hebben bij het inplannen van de zittingsroosters. En dan zijn er vaak nog de aanvullende onderzoekswensen van de verdediging van de verdachte, die er niet zelden toe leiden dat op de zitting zaken moeten worden aangehouden en opnieuw moeten worden ingepland. Zoals ook in onderstaande, fictieve casus.

Klik hieronder op de genummerde bolletjes voor meer uitleg.

Infographic Aanrijding met dodelijke afloop

Infographic Aanrijding met dodelijke afloop

Frontaal en fataal

Op een N-weg in de provincie Groningen vindt op donderdag 27 november 2025 een ernstig verkeersongeval plaats. Het is het begin van de avond, er is nauwelijks verkeer op de weg, maar desondanks botsen twee personenauto’s in een flauwe bocht frontaal op elkaar. De ravage is groot. Wanneer de politie en hulpdiensten arriveren treffen ze in het ene wrak twee inzittenden aan. De man achter het stuur is dan al overleden. De vrouw naast hem bloedt hevig en is buiten bewustzijn, maar nog in leven. In de andere auto zit een 43-jarige Fransman. Hij is nog aanspreekbaar. Afgezien van een lelijke hoofdwond lijkt hij relatief ongedeerd.

Wanneer de hulpdiensten hun werk hebben gedaan, en de overlevenden per ambulance naar het ziekenhuis zijn vervoerd, start de politie direct een sporenonderzoek. Beide auto’s zijn ernstig vervormd. Verspreid over het asfalt, over een lengte van tientallen meters, liggen brokstukken en glassplinters. Ook de olie- en bandensporen worden door het team Forensische Opsporing (FO) in kaart gebracht. Enkele uren na het ongeval, wanneer de Fransman is ontslagen uit het ziekenhuis, worden bij hem een adem- en een speekseltest afgenomen. De uitslagen daarvan zijn negatief. De man was niet onder invloed van alcohol of drugs.

De volgende ochtend wordt een officier van justitie van het parket Noord-Nederland door de politie telefonisch op de hoogte gebracht van de bevindingen. Aan de processen-verbaal wordt nog gewerkt, maar toch heeft men al een redelijk beeld van wat er zich op de N-weg moet hebben afgespeeld. Op basis van het sporenonderzoek vermoedt de politie dat de Fransman op de verkeerde weghelft moet hebben gereden op het moment van de aanrijding. De ernstige vervorming van de twee auto’s vormt bovendien een indicatie dat hij een stuk harder moet hebben gereden dan de maximaal toegestane snelheid van 80 kilometer per uur.

In overleg met de politie besluit de officier van justitie een zogenaamd artikel 6 WVW-onderzoek te starten. Artikel 6 van de Wegenverkeerswet stelt strafbaar het veroorzaken van een verkeersongeval door schuld, met de dood of ernstig letsel tot gevolg. Later diezelfde dag wordt de Fransman door de politie gehoord. Hij ontkent stellig dat hij te hard reed. Ook beweert hij dat de tegenligger juist op zijn weghelft reed, in plaats van andersom. Na het politieverhoor wordt hij door de politie heengezonden. Hij blijft verdachte in de zaak, maar mag het onderzoek in vrijheid afwachten. Diezelfde middag keert hij terug naar Frankrijk.

Om te kunnen bewijzen dat hier sprake was van roekeloosheid zal onder andere de gereden snelheid moeten worden aangetoond. Veel moderne auto’s zijn voorzien van een soort black box  waaruit dat soort informatie betrekkelijk eenvoudig te achterhalen valt. Dat is hier geen optie. De auto van de Fransman stamt uit 2008. Ook gegevens van de iPhone van de verdachte zouden als bewijs kunnen dienen voor de gereden snelheid. Die telefoon is in beslag genomen, en ligt sindsdien op het politiebureau, maar de Fransman heeft geen toestemming gegeven het toestel te onderzoeken. Om de iPhone tóch te kunnen onderzoeken zal een beroep moeten worden gedaan op de digitale recherche. Daar is de capaciteit dusdanig beperkt dat men een dergelijk onderzoek pas over vier maanden zou kunnen doen.

Maar er is nóg een manier om de gereden snelheid vrij nauwkeurig te kunnen bepalen. Vlak voor de flauwe bocht waar het dodelijk ongeval plaatsvond, is de Fransman over een aantal meetlussen gereden die in het asfalt liggen. Dat zijn sensoren die data verzamelen over de verkeersdrukte.

De lussen zijn niet ontworpen om de snelheid van passerende voertuigen te registreren, maar ze bieden wel die mogelijkheid. Met een verkeerstechnisch onderzoek ter plaatse kan aan de hand van de meetlussen vrij nauwkeurig worden bepaald hoe hard de Fransman reed.

Verkeerstechnisch onderzoek - 86 dagen na de aanrijding

Het gewenste verkeerstechnische onderzoek wordt aangemeld bij de Forensische Opsporing van de politie, maar kan niet van de ene op de andere dag plaatsvinden. De weg zal voor het doen van proefnemingen met een auto enige tijd moeten worden afgesloten. Daarvoor is de medewerking nodig van de wegbeheerder, in dit geval van Provinciale Waterstaat. Maar ook een aantal wegen die de N-weg kruisen zullen moeten worden afgesloten. Die vallen onder het beheer van de gemeente. Beide wegbeheerders zullen dus hun medewerking moeten verlenen. Zij moeten aangeven wat de beste, meest verkeersluwe momenten zijn. Ook zullen zij weggebruikers tijdig over de wegafsluiting moeten informeren en een omleiding moeten verzorgen. Daarnaast vergt zo’n verkeerstechnisch onderzoek veel van de capaciteit van de politie. Behalve een team Forensische Opsporing, zijn er ook voldoende leden nodig van de gewone politie en van de verkeerspolitie om de weg te beveiligen, en een politiespecialist om het testvoertuig te besturen. Om dat alles te organiseren is tijd nodig. Het onderzoek kan daarom pas over zes weken plaatsvinden, op zaterdag 10 januari 2026.

De analyse - 131 dagen na de aanrijding

Uitgerekend op die dag is een groot deel van het land bedekt met een dik pak sneeuw. Ook de bewuste N-weg. Dat maakt het doen van het beoogde onderzoek onmogelijk, tot grote frustratie van alle betrokken partijen. Er zit niets anders op dan het onderzoek uit te stellen. Een eerstvolgende mogelijkheid laat opnieuw zes weken op zich wachten. Op zaterdag 21 februari 2026 verloopt alles wel volgens plan. De verzamelde data die het onderzoek heeft opgeleverd zullen nu moeten worden geanalyseerd om de gereden snelheid van de Fransman te kunnen bepalen. Dat is specialistisch werk waarvoor slechts enkele politiemensen over de juiste expertise beschikken. Ook daarvoor bestaat dus een wachtlijst. Zes weken later, op dinsdag 7 april 2026, heeft een data-analist van de politie zijn conclusie klaar: de verdachte reed ongeveer 120 kilometer per uur. Veertig kilometer per uur harder dan de maximaal toegestane snelheid.

De officier van justitie heeft nu voldoende in handen om de Fransman te vervolgen op basis van artikel 6 Wegenverkeerswet. Er is een dodelijk slachtoffer en een ernstig gewonde, er zijn processen verbaal waaruit blijkt dat de verdachte op de verkeerde weghelft reed (ondersteund door een verklaring van het overlevende slachtoffer) en er is sprake van roekeloosheid (en daarmee ook van ‘aanzienlijke schuld’) omdat hij aantoonbaar veel te hard reed.

De volgende stap is het inplannen van een zittingsdatum. Bij het vullen van de zittingsroosters wordt door de rechtbank voorrang verleend aan zaken waarin de verdachte in voorlopige hechtenis zit. Daarvoor gelden namelijk zogenaamde wettelijke termijnen, wat wil zeggen dat binnen drie maanden een zitting moet plaatsvinden. Zaken waarin de verdachte niet in voorlopige hechtenis zit worden daarom automatisch opgeschoven. Zo ook deze. De zitting zal over zes maanden plaatsvinden, op maandag 5 oktober 2026. Per aangetekende post wordt de Fransman op zijn huisadres gedagvaard en van de zittingsdatum op de hoogte gebracht.

De eerste zitting – 312 dagen na de aanrijding

Een paar dagen voor de zitting blijkt dat de dagvaarding onverrichterzake retour is gekomen, met daarop een sticker van de Franse posterijen: onbestelbaar. Op zitting blijkt dat de verdachte inderdaad niet is verschenen. Ook heeft er zich geen advocaat gemeld om hem te vertegenwoordigen. Nu volgens de rechtbank niet kan worden vastgesteld dat de verdachte van de zitting op de hoogte was, of dat kón zijn, kan de rechtbank geen verstek verlenen en kan de zaak dus niet inhoudelijk worden behandeld. De rechtbank draagt het OM daarbij op om de verdachte opnieuw te dagvaarden, dit keer via het Internationaal Rechtshulpcentrum en de Franse autoriteiten. Zij zullen de dagvaarding in persoon aan de verdachte overhandigen. De zaak zal zes maanden worden aangehouden, tot dinsdag 4 mei 2027. Niet alleen vanwege het volle zittingsrooster, maar ook om de verdachte voldoende tijd te geven een advocaat te zoeken en zich op de zitting voor te bereiden.

De tweede zitting – 523 dagen na de aanrijding

Maar ook op die dag zal de zaak niet inhoudelijk worden behandeld. Dat wordt duidelijk wanneer zich kort voor de zitting een Nederlandse advocaat meldt in deze zaak. Zij is twee weken eerder door een Franse collega-advocaat benaderd met het verzoek de verdediging van de verdachte op zich te nemen. Inmiddels heeft zij het dossier bestudeerd. Ze laat weten de bevindingen van de FO-verbalisanten - het sporenonderzoek direct na de aanrijding, en de conclusies die daaruit worden getrokken - in twijfel te trekken. Ze vindt de processen-verbaal te summier en doet daarom het verzoek om de bewuste verbalisanten als getuigen te mogen bevragen. Er hangt voor haar cliënt namelijk veel van af.

Hoewel de zaak daardoor nog meer vertraging oploopt, weet de officier dat het weinig zin heeft zich tegen het verzoek te verzetten. In dit soort ernstige zaken heeft de verdediging het recht om belastende getuigen zelf te mogen bevragen. De geplande zitting van anderhalf uur biedt daar niet de ruimte voor. Nog afgezien van de vraag of de drie verbalisanten op zo’n korte termijn aanwezig kunnen zijn. De officier kondigt daarom alvast aan dat hij op zitting aanhouding van de inhoudelijke behandeling zal vorderen. Hij communiceert dat ook met het overlevende slachtoffer en met de nabestaanden. Hun geduld zal opnieuw op de proef worden gesteld. Daarnaast stelt de officier voor om het horen van de drie verbalisanten niet op zitting te doen, maar bij de rechter-commissaris. En wel op zo kort mogelijke termijn.

De inhoudelijke behandeling - 613 dagen na de aanrijding

De rechtbank gaat daarin mee, zo blijkt op de zitting van 4 mei waarbij ook de verdachte aanwezig is. De zaak wordt opnieuw aangehouden, maar dit keer voor bepaalde tijd. Over drie maanden, op maandag 2 augustus 2027, zal de inhoudelijke behandeling dan toch eindelijk moeten plaatsvinden. Door het bepalen van een nieuwe zittingsdatum geeft de rechtbank ook een signaal af aan de rechter-commissaris: het horen van de verbalisanten heeft haast.

Op donderdag 1 juli 2027 worden de drie verbalisanten van het team Forensische Opsporing gehoord bij de rechter-commissaris. Ook de advocaat van de verdachte en de officier van justitie zijn daarbij aanwezig. Een maand later staat de zaak voor de derde keer op zitting. Dit keer komt het wel tot een inhoudelijke behandeling, waarbij de emoties in de zaal soms hoog oplopen. Het slachtoffer dat de aanrijding overleefde maakt gebruik van haar spreekrecht, net als een van de nabestaanden van het verongelukte slachtoffer. De verdachte betuigt zijn medeleven, maar ontkent roekeloos te hebben gereden. De verdediging blijft zich ook na het verhoor bij de rechter-commissaris op het standpunt stellen dat op basis van het dossier niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte op de verkeerde weghelft reed.

Wat de officier van justitie betreft kan dat wel degelijk. Zoals ook de veel te hoge snelheid waarmee de Fransman reed volgens hem bewezen kan worden verklaard. En daarmee dus ook roekeloosheid. Met een dodelijk slachtoffer en een zwaar gewonde tot gevolg. Omdat de verdachte in Nederland niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke feiten - en dus een first offender is - eist hij op grond van de OM-strafvorderingsrichtlijnen in plaats van de maximale strafmaat van zes jaar, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar, plus een rijontzegging (op Nederlands grondgebied) van drie jaar.

Het vonnis – 627 dagen na de aanrijding

Twee weken later, op maandag 16 augustus 2027, doet de rechtbank uitspraak. Mede gelet op de lange tijd die het onderzoek geduurd heeft (sinds de aanrijding zijn er 627 dagen verstreken) valt het vonnis een jaar lager uit dan de eis: drie jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf en drie jaar rijontzegging. Daarmee is de zaak nog altijd niet onherroepelijk. Drie dagen later laat de Fransman via zijn advocaat weten dat hij tegen het vonnis in hoger beroep gaat.