In het jeugdstrafrecht weegt het belang van een snelle afdoening nog zwaarder dan in het volwassenstrafrecht. Veel meer dan het volwassenstrafrecht, heeft het jeugdstrafrecht namelijk een preventief en pedagogisch karakter. De straffen die daarbij horen zijn dus vooral bedoeld om te voorkomen dat de jeugdige verdachte nog verder afdwaalt op het verkeerde pad. Tijd is daarbij cruciaal. Hoe langer zo’n ‘bijsturende’ straf op zich laat wachten, hoe kleiner de kans dat die het gewenste effect heeft.

Het grootste deel van alle jeugdzaken waar het OM mee te maken heeft, is relatief licht. Denk aan  minderjarigen die voor het eerst in aanraking komen met politie en justitie nadat ze een winkeldiefstal hebben gepleegd of een bushokje hebben vernield. Veel dan die zaken worden doorverwezen naar Stichting Halt, of afgedaan met een OM-strafbeschikking (vaak een boete). De afhandeling ervan is meestal een kwestie van enkele weken of maanden. Zwaardere jeugdzaken worden behandeld door de kinderrechter of de meervoudige kamer. Die zaken kennen aanzienlijk langere doorlooptijden.

Om de strafrechtketen aan te sporen die doorlooptijden terug te dringen, werden al in 2001 de zogenaamde Kalsbeeknormen vastgesteld. Die normen stelden dat 80 procent van alle jeugdzaken binnen 180 dagen moesten worden afgedaan. Ondanks allerlei afspraken en initiatieven binnen de strafrechtketen werd aan die normen in ruim twintig jaar tijd nooit voldaan. Het bleek praktisch onmogelijk.

In 2024 werden de normen daarom naar boven bijgesteld. Voor jeugdzaken die door de meervoudige kamer worden behandeld is sindsdien de norm dat 80 procent ervan binnen 300 dagen moet worden afgedaan. Maar ook aan die nieuwe, verruimde norm wordt in de praktijk zelden voldaan. Hoe kan dat?

Michael en de explosie

Op vrijdag 12 januari 2024, tegen middernacht, worden bewoners van een straat in Amsterdam-Oost opgeschrikt door een enorme knal. Voor de derde keer in slechts een paar maanden tijd is bij de benedenwoning op nummer 34 een explosief afgegaan. Voorgaande keren bleef de materiële schade beperkt tot een zwartgeblakerde voordeur, maar dit keer niet. De deur is aan stukken gereten en de grote ruit van de woonkamer ligt aan diggelen. De bewoner, die nog op de bank tv zit te kijken, schrikt zich een ongeluk, maar blijft fysiek ongedeerd. Een man die op de hoek van de straat zijn fiets op slot zet, ziet in het licht van de straatlantaarns hoe een jongeman zijn kant op komt rennen. Hij draagt een donkere hoodie, maar desondanks kijken de twee elkaar een moment recht in de ogen. Dan verdwijnt de jongen de hoek om.

29 dagen na de explosie

Kort daarna rijdt een politieauto de straat in. In de uren, dagen en weken die volgen worden getuigen gehoord, camerabeelden opgevraagd en sporen veiliggesteld, waaronder een DNA-spoor dat wordt aangetroffen op een restant van het gebruikte explosief. Dat laatste zou in theorie snel tot de aanhouding van een verdachte kunnen leiden, maar de praktijk is weerbarstiger. Net als veel andere regio's kampt ook de politie Amsterdam met een beperkte capaciteit voor het doen van forensisch onderzoek, waardoor het gevonden DNA-materiaal langer blijft liggen dan wenselijk is. Bovendien worden explosies zonder lichamelijk letsel niet tot de zwaarste zaken gerekend. Ze hebben daarom geen topprioriteit.

Op maandag 5 februari, ruim drie weken na de explosie, wordt het gevonden materiaal bij het Nederlands Forensisch Instituut door de DNA-databank gehaald. Het gevonden DNA blijkt overeen te komen met dat van Michael, een 16-jarige jongen met een aanzienlijk strafblad. Het is gevuld met een keur aan strafbare feiten variërend van winkeldiefstal tot woninginbraak, openlijk geweld, verboden wapenbezit en beroving. Op het moment van de explosie liep hij nog in een proeftijd vanwege een recente veroordeling door de kinderrechter. Bovendien gaat hij al enige tijd niet naar school. Na meerdere geweldsincidenten is hij daar voor onbepaalde tijd geschorst.

In dat licht is de DNA-match voor de officier van justitie voldoende reden om Michael te laten aanhouden voor zijn betrokkenheid bij de aanslag. Dat gebeurt op zaterdag 10 februari in zijn ouderlijk huis. Michael wordt meegenomen naar het politiebureau, krijgt een advocaat toegewezen en wordt in verzekering gesteld, wat betekent dat hij maximaal drie dagen mag worden vastgehouden. Gelet op de ernst van het delict, zijn strafblad en het politieonderzoek dat nog gaande is, zal hij daarna worden voorgeleid aan de rechter-commissaris (rc). Die zal beslissen of hij wordt vrijgelaten of in voorlopige hechtenis wordt genomen. Bij die beslissing laat de rc zich onder andere adviseren door de Raad voor de Kinderbescherming. Onmiddellijk na de inverzekeringstelling van Michael gaat daarom het verzoek uit naar de Raad voor de Kinderbescherming voor het uitbrengen van een zogenaamd vroeghulpadvies.

40 dagen na de explosie

Op dinsdag 13 februari zit Michael samen met zijn advocaat en zijn ouders bij de rc. Hoewel de 16-jarige alle betrokkenheid ontkent, ziet de rc voldoende reden om hem in voorlopige hechtenis te nemen, wat betekent dat hij tot nader order in een gesloten justitiële jeugdinrichting wordt geplaatst.

Op basis van het vroeghulpadvies van de Raad voor de Kinderbescherming, de ernst van het gepleegde feit en Michaels aanzienlijke strafblad, overweegt de officier van justitie een dubbel persoonlijkheidsonderzoek aan te vragen om te bepalen of een zogenaamde PIJ-maatregel (in de volksmond ook wel jeugd-tbs genoemd) moet worden opgelegd. Voor minderjarigen is dat de zwaarst mogelijke straf. De noodzaak van zo’n vervolgonderzoek wordt door professionals van de Raad voor de Kinderbescherming en het NIFP (het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie) besproken in het indicatieoverleg dat kort na de voorgeleiding plaatsvindt. In deze zaak adviseert men om inderdaad meer onderzoek te doen, zo blijkt tijdens de eerste raadkamerzitting op woensdag 21 februari. De officier van justitie besluit dat advies over te nemen en vraagt een Pro Justitia-rapportage aan bij het NIFP. Een psychologisch én een psychiatrisch onderzoek.

Ondertussen is de politie bezig met het horen van de laatste getuigen en het afronden van het technisch onderzoek. De Raad voor de Kinderbescherming doet verder onderzoek naar de persoon van de verdachte. Zij brengen de omstandigheden van Michael en het gezin in kaart, waarbij wordt gekeken naar eventuele risico’s, zoals bijvoorbeeld middelengebruik, maar ook naar beschermende factoren, zoals de betrokkenheid van de ouders. Ook andere leefgebieden worden nagelopen.

Met welke vrienden gaat hij om? Waarom ging het mis op school? Wat doet hij in zijn vrije tijd? Dat onderzoek, en het opstellen van een uitgebreid rapport en begeleidend advies over de op te leggen straf of maatregel, zal naar verwachting zo’n twee maanden in beslag nemen.

Enkele dagen na de raadkamerzitting zegt Michael schoorvoetend zijn medewerking aan de beide NIFP-onderzoeken toe. Inmiddels is hij geen ontkennende verdachte meer. Naast de DNA-match heeft de politie zoveel bewijs tegen hem verzameld – camerabeelden, ooggetuigenverslagen, telefoongegevens – dat ontkennen weinig zin meer heeft. Via zijn advocaat dringt hij wel aan op schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Er is immers nog geen enkel zicht op een inhoudelijke behandeling van zijn zaak door de meervoudige kamer. Voordat de zaak op zitting inhoudelijk kan worden behandeld moeten namelijk de beide vervolgonderzoeken zijn afgerond, maar vooralsnog is er bij het NIFP niemand beschikbaar die dat op korte termijn kan doen. NIFP-specialisten zijn schaars. Gemiddeld duurt het twee maanden voordat er een psycholoog beschikbaar is. Het vinden en benoemen van een beschikbare psychiater duurt in de praktijk nog langer; drie tot vier maanden, met uitschieters tot een half jaar. Dan moeten de onderzoeken nog beginnen en de rapporten nog worden geschreven. Doorgaans neemt dat 10 tot 12 weken in beslag. Vervolgens heeft de Raad voor de Kinderbescherming nog zes weken nodig om de bevindingen van de beide specialisten in hun advies te verwerken. Moet hij al die tijd vast blijven zitten?

129 dagen na de explosie

Tijdens de eerste pro-formazitting op maandag 20 mei staat die vraag centraal. Michael is daarbij aanwezig, samen met zijn ouders en zijn advocaat. De zitting is ingepland omdat de maximale termijn van de voorlopige hechtenis, 110 dagen, in zicht komt. De NIFP-psycholoog heeft inmiddels een aantal gesprekken met Michael en zijn ouders gevoerd, maar het eindrapport laat nog op zich wachten. Een psychiater is nog niet beschikbaar. De inhoudelijke behandeling kan dus nog niet worden ingepland. Toch blijft de officier van justitie zich verzetten tegen schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarvoor is het recidivegevaar volgens haar te groot. De rechtbank ziet dat anders. Michael zit nu ruim drie maanden vast. Inmiddels is hij, onder strikte voorwaarden, weer welkom op de school waar hij eerder werd geschorst. Zelf geeft hij aan die kans graag te willen grijpen. Met een goed schorsingsplan, een enkelband en intensieve begeleiding van de jeugdreclassering vindt de rechtbank dat ook verantwoord. In het belang van zijn jeugdige persoon wordt Michaels voorlopige hechtenis daarom geschorst. De volgende dag zal hij de justitiële jeugdinrichting waar hij nog altijd verblijft mogen verlaten om zijn berechting in vrijheid af te wachten.

De officier van justitie is niet blij met het besluit. Niet alleen vanwege het recidivegevaar, maar vooral omdat het nu allemaal nog langer gaat duren. Zolang een verdachte in voorlopige hechtenis zit gelden er wettelijke termijnen. De zaak moet dan binnen drie maanden op zitting worden ingepland. Met het schorsen van de voorlopige hechtenis komt die wettelijke verplichting te vervallen. De zaak heeft geen prioriteit meer en belandt zo in een lange wachtrij om plaats te maken voor dringender zaken. Zaken waarbij de verdachte nog wel in voorlopige hechtenis zit.

171 dagen na de explosie

Op maandag 1 juli bezoekt de NIFP-psychiater het ouderlijk huis van Michael voor een eerste gesprek met hem en zijn ouders. Daarna volgen er meer gesprekken, maar niet allemaal bij Michael thuis. In de late avond van zaterdag 20 juli wordt hij namelijk op heterdaad betrapt bij een woninginbraak. Acht weken na zijn schorsing zit hij dus opnieuw vast. De intensieve begeleiding van de jeugdreclassering, die de basis vormde van het schorsingsplan, is door de beperkte capaciteit in de regio nooit tot stand gekomen. In plaats daarvan is Michael na zijn schorsing op de wachtlijst geplaatst en heeft een zogenaamde wachtlijstbeheerder van de jeugdreclassering twee keer een kort gesprek met hem gehad. De enkelband droeg hij wel vanaf dag één, maar die bleek hij op de avond van de inbraak te hebben doorgeknipt.

De inbraak en het doorknippen van de enkelband betekenen dat Michael zich niet aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Drie dagen na zijn aanhouding moet hij daarom, bij een spoedzitting, opnieuw verschijnen bij de meervoudige kamer. Die besluit, zoals de officier van justitie vordert, zijn schorsing op te heffen. Hij wordt opnieuw in voorlopige hechtenis genomen.

Met de inbraak wordt er een nieuw feit toegevoegd aan zijn dossier. Dat betekent ook dat er een uitbreiding moet komen van de opdracht aan de rapporteurs van het NIFP, met daarbij alle relevante stukken, waaronder het proces-verbaal van de politie. Daarvoor moet eerst het onderzoek naar de inbraak worden afgerond. Omdat het een heterdaad betrof gaat dat relatief snel. Na vier weken heeft het OM de stukken compleet en wordt de uitgebreide opdracht aan het NIFP verstrekt.

Ondertussen wordt in het zittingsrooster van de rechtbank naar een datum gezocht waarop de zaak door de meervoudige kamer kan worden behandeld. Die zitting zal binnen drie maanden moeten plaatsvinden. Nu Michael weer in voorlopige hechtenis zit, zijn immers de wettelijke termijnen weer van kracht.

Het plannen van zittingen is een taak van de Verkeerstoren, een samenwerkingsverband van de Rechtspraak en het OM. Gezocht wordt naar een datum waarop alle betrokken partijen beschikbaar zijn. De behandeling van de zaak zal naar verwachting minimaal twee uur in beslag nemen. Daarvoor biedt het zittingsrooster van de meervoudige kamer beperkt ruimte. Daarnaast moet rekening worden gehouden met agenda’s van Michaels raadsman en ouders, en met die van de slachtofferadvocaten. Beide slachtoffers, zowel die van de explosie als die van de inbraak, hebben aangekondigd een vordering schadevergoeding te zullen indienen. Ook geven zij aan bij de zitting aanwezig te willen zijn. Daarbij hebben ze allebei een flink aantal verhinderdata doorgegeven, waar de Verkeerstoren rekening mee zal moeten houden. Bovendien moet op de bewuste dag een tolk beschikbaar zijn voor de moeder van Michael, die de Nederlandse taal onvoldoende machtig is om de zitting goed te kunnen volgen. 

Vanzelfsprekend moeten ook alle vereiste documenten op de geplande zittingsdatum gereed en voorhanden zijn: de twee afgeronde processen-verbaal van de politie, de twee vorderingen van de benadeelde partijen, de beide NIFP-rapporten en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin de bevindingen uit die rapporten zijn verwerkt.

271 dagen na de explosie

Dat laatste blijkt niet te gaan lukken. Op woensdag 9 oktober ontvangt de Raad voor de Kinderbescherming het eindrapport van de NIFP-psychiater. Dat is slechts twee dagen voor de geplande zittingsdatum, terwijl de Raad voor de Kinderbescherming voor het bestuderen en het verwerken van het NIFP-rapport in het advies aan de rechtbank zes weken nodig heeft. Omdat er voor Michael veel op het spel staat, een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, ziet de rechtbank geen andere optie dan de zaak aan te houden. De Verkeerstoren zal weer op zoek moeten naar een nieuwe datum waarop alle betrokken partijen beschikbaar zijn. Het verzoek van de verdediging om Michael opnieuw te schorsen uit voorlopige hechtenis wordt dit keer afgewezen. Ook vindt de rechtbank het niet noodzakelijk dat de psycholoog en de psychiater bij de volgende zitting aanwezig zijn, zoals Michaels advocaat wil. Dat zou het vinden van een zittingsdatum mogelijk nog meer bemoeilijken en vertragen. De vragen van de raadsman over de NIFP-rapportages kunnen bovendien ook schriftelijk worden ingediend en beantwoord.

448 dagen na de explosie

Op dinsdag 8 januari 2025, bijna een jaar na de explosie, vindt de inhoudelijke behandeling plaats door de meervoudige kamer. Daarbij stelt de rechtbank vast dat een van de slachtoffers, de bewoner van het huis waar de explosie plaatsvond, er niet is. Terwijl de man eerder duidelijk heeft aangegeven de zitting wel te willen bijwonen en ook gebruik te willen maken van zijn spreekrecht. Dan blijkt dat hij niet juist is geïnformeerd over de zittingsdatum. De man is onlangs verhuisd en heeft die verhuizing ook tijdig doorgegeven, maar desondanks blijkt de brief naar het oude adres te zijn verzonden. Na een kort overleg besluit de rechtbank de zitting daarom opnieuw aan te houden. De eerst volgende mogelijkheid om een zitting van twee uur in te plannen, rekening houdend met de beschikbaarheid van alle betrokkenen, is op donderdag 20 maart.

Twee weken later, op donderdag 3 april, volgt de uitspraak. Die is conform de eis van de officier van justitie. Alles afwegende – de processen-verbaal van de politie, de rapportages van het NIFP, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, Michaels strafblad, en alle kansen die hij in het verleden al kreeg maar niet greep, vindt ook de rechtbank alleen de zwaarste straf passend: een PIJ-maatregel. Ook zal Michael de beide slachtoffers een schadevergoeding moeten betalen.

Sinds de explosie, op 12 januari 2024, zijn er nu 448 dagen verstreken, maar nog altijd is de zaak niet afgerond. Kort na de uitspraak laat zijn advocaat weten dat Michael tegen de uitspraak in hoger beroep gaat.