| Rechtskarakter: | Aanwijzing (artikel 130 lid 6 Wet RO) |
| Van: | College van procureurs-generaal |
| Registratienummer: | 2026A002 |
| Datum inwerkingtreding: | 1 oktober 2026 |
| Vervallen: | Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten HALT (2021R001) |
| Relevante beleidsregels OM: |
Aanwijzing OM-strafbeschikking (2022A003), |
| Relevante wetgeving: | Artikel 77a – 77hh Wetboek van Strafrecht, artikel 486 – 505 Wetboek van Strafvordering |
Omschrijving
Deze aanwijzing bevat de uitgangspunten voor de beoordeling en de behandeling van strafzaken van jeugdige verdachten en de toepassing van het adolescentenstrafrecht. Met jeugdige verdachten worden de jeugdigen en jongvolwassenen (adolescenten) bedoeld waarop het jeugdstrafrecht van toepassing is. Deze aanwijzing dient in samenhang te worden gelezen met de strafvorderingsrichtlijnen voor de afdoening van jeugdzaken.
1. Uitgangspunten voor toepassing jeugdstrafrecht
1.1 Pedagogisch karakter
Het jeugdstraf(proces)recht heeft een pedagogisch karakter. De beslissingen en handelingen van de officier van justitie1 richting de jeugdige verdachte, waaronder de toepassing van straffen en maatregelen, zijn er op gericht de ontwikkeling van deze jongere te stimuleren, de jongere te heropvoeden, te resocialiseren en te weerhouden van een verdere criminele carrière. Dit vraagt om een evenwichtige, selectieve en tijdige toepassing van het jeugdstraf(proces)recht. Bij een jeugdige verdachte wordt vanwege het pedagogisch karakter terughoudend omgegaan met vrijheidsbeneming.
Het Openbaar Ministerie heeft als algemeen uitgangspunt dat het jeugdstrafrecht gericht is op het voorkomen van recidive. Er is een apart sanctiestelsel voor jeugdigen waarbij interventies zoveel mogelijk worden gericht op een positieve gedragsbeïnvloeding van de jeugdige. De strafproceswaarborgen voor jeugdigen in het Wetboek van Strafvordering zijn gericht op de speciale benadering van de jeugdige gedurende het strafproces.2
1 Waar in deze aanwijzing ‘officier van justitie’ staat wordt bedoeld: officieren van justitie, advocaten-generaal, adjunct-officieren van justitie, parketsecretarissen en andere OMmedewerkers die een taak hebben bij de afdoening van strafbare feiten gepleegd door jeugdigen.
2 De noodzaak tot een apart jeugdstraf(proces)recht vloeit voort uit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989).
1.2 Licht waar het kan, zwaar waar het moet
De officier van justitie gaat bij toepassing van het jeugdstrafrecht over tot een persoonsgerichte aanpak, waarbij het streven is om het risico op recidive te verminderen door criminogene factoren te beperken en beschermende factoren te versterken met de inzet van passende interventies. Een belangrijk deel van de jeugdcriminaliteit bestaat uit grensoverschrijdend gedrag dat samenhangt met het verkennen van grenzen en het nemen van risico’s passend bij de puberteit. De gewetensontwikkeling bij jeugdigen is nog niet voltooid en zij zijn nog in sterke mate afhankelijk van de directe omgeving. Het uitgangspunt is dat de jeugdige kan leren van zijn fouten en een nieuwe kans krijgt. Het ingrijpende karakter van strafrechtelijke vervolging bij jeugdigen maakt dat het openbaar ministerie een extra verantwoordelijkheid heeft voor de jeugdige.
De officier van justitie onderzoekt bij elk strafbaar feit of volstaan kan worden met een buitenstrafrechtelijke interventie, waarbij de jeugdige begrensd wordt zonder aantekening op de justitiële documentatie. De officier van justitie zal daarbij steeds een afweging maken tussen de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, de persoonlijke omstandigheden van de jeugdige en de gevolgen van het strafbare feit voor het slachtoffer en de samenleving. Het openbaar ministerie gaat uit van het uitgangspunt: “Licht waar het kan, zwaar waar het moet”.
Jeugdcriminaliteit kan ook bestaan uit ernstige delicten, zoals ernstige gewelds- en seksuele misdrijven of veelvuldige recidive. Dit kan ingrijpende gevolgen hebben voor zowel de directe omgeving als de maatschappij, wat kan zorgen voor gevoelens van onveiligheid. De inzet van het jeugdstrafrecht is dan van belang voor de oplegging van passende straffen en maatregelen, waarbij tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een positieve ontwikkeling van de jeugdige. Het strafrecht wordt dan gezien als aangrijpingspunt om een keerpunt bij de jongeren te bewerkstelligen.
1.3 Herstel
De officier van justitie onderzoekt in elke zaak in een zo vroeg mogelijk stadium de mogelijkheden tot herstel in verband met het strafbare feit. Het is wenselijk om de jeugdige verdachte te laten inzien wat de gevolgen zijn geweest van zijn handelen. Een herstelgesprek tussen de verdachte en benadeelde en vergoeding van de door de benadeelde geleden schade vormen waar mogelijk een belangrijk onderdeel van de afdoening. Het bevorderen van herstel is verder een vast onderdeel van de reprimande en de buitenstrafrechtelijke Halt-interventie. Bij strafrechtelijke vervolging is Mediation in Strafzaken (MIS) de voorliggende herstelrechtvoorziening.
1.4 Jeugdstrafrecht als specialisme
De officier van justitie die jeugdzaken behandelt heeft kennis van de specifieke strafrechtelijke en strafvorderlijke bepalingen inzake jeugdige verdachten. De officier van justitie heeft ook kennis van de verschillende ontwikkelingsfasen van jeugdigen en is op de hoogte van de verschillende beschikbare jeugdinterventies, zoals de mogelijkheid van een civiele jeugdbeschermingsmaatregel bij aanwijzingen van een bedreigde ontwikkeling van de jeugdige, jeugdhulp en (jeugd-)ggz. De officier van justitie is getraind om adequaat te kunnen communiceren met jeugdigen en hun ouders.
2. De bijzondere positie van de jeugdige in het strafproces
2.1 Geen vervolging voor 12-minners
Jeugdigen die jonger zijn dan 12 jaar op het moment dat het strafbare feit is gepleegd, worden niet strafrechtelijk vervolgd. Zij worden wettelijk gezien niet verantwoordelijk gehouden voor hun daden.
Bij strafbare feiten die vermoedelijk zijn gepleegd door jeugdigen jonger dan 12 jaar is een opsporingsonderzoek en het beperkt toepassen van dwangmiddelen in verband met waarheidsvinding wel mogelijk.
Strafbare feiten die zijn gepleegd door zeer jonge kinderen kunnen een belangrijk zorgsignaal vormen. Als de verdachte jonger dan 12 jaar is doet de politie altijd een zorgmelding bij Veilig Thuis. Op basis daarvan kan worden onderzocht of een zorginterventie geboden is.
De politie registreert dat een jeugdige jonger dan 12 jaar verdacht wordt van betrokkenheid bij een strafbaar feit. Het plegen van misdrijven op zeer jonge leeftijd kan een belangrijke voorspeller zijn voor later crimineel gedrag. In een latere fase kan het van belang zijn hiervan op de hoogte te zijn om een goede inschatting te maken van het risico op recidive.
2.2 Terughoudendheid bij vervolging van 12- en 13-jarigen
De officier van justitie is terughoudend bij de vervolging van jeugdigen van 12 en 13 jaar. Jeugdigen onder de 14 jaar zijn in beperkte mate in staat verantwoordelijkheid te nemen voor hun daden, hebben in beperkte mate begrip van het strafproces en van de gevolgen van een strafrechtelijke veroordeling. In civielrechtelijk opzicht zijn de ouders aansprakelijk voor de door de 12- of 13-jarige verdachte veroorzaakte schade.
2.3 16- en 17-jarigen
De strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de jeugdige neemt in beginsel toe wanneer de jeugdige ouder wordt. Dit betekent dat de officier van justitie bij jeugdigen in de leeftijd van 16 en 17 jaar uitgaat van een toegenomen strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de jeugdige. Wel blijven de pedagogische beginselen van het jeugdstrafrecht voorop staan.
Indien er bij jeugdigen van 16 en 17 jaar sprake is van veelvuldige recidive of indien deze jeugdigen instrumenteel geweld toepassen, wordt bij strafrechtelijke vervolging een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden of een maatregel (PIJ-maatregel of gedragsbeïnvloedende maatregel) gevorderd. Daarbij wordt (door middel van een persoonsgerichte benadering) ingezet op een intensief en zo nodig intramuraal traject om een gedragsverandering te bewerkstelligen.
2.4 Toepassen volwassenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen
De officier van justitie vordert de toepassing van volwassenstrafrecht bij 16- en 17-jarigen alleen indien er sprake is van een zeer ernstige (levens)delict en verwacht wordt dat in het licht van de persoonlijkheid van de jeugdige en de omstandigheden waaronder het feit is begaan een pedagogische aanpak niet meer van toegevoegde waarde zal zijn. De officier van justitie kan meewegen dat de aard en duur van de behandeling in het kader van het jeugdstrafrecht onvoldoende mogelijkheden biedt om de veiligheid van anderen te waarborgen.
2.5 Toepassen jeugdstrafrecht bij 18- tot 23-jarigen
De rechter besluit tot toepassing van het jeugdstrafrecht. De officier van justitie kan bij een jongvolwassene in de leeftijd van 18 tot 23 jaar toepassing vorderen van het jeugdstrafrecht als daartoe op grond van persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, aanleiding bestaat.
Toepassing van het jeugdstrafrecht op een jongvolwassene heeft vooral tot doel meer recht te doen aan de ontwikkelingsleeftijd van de jongvolwassene, waarbij een interventie uit het jeugdstrafrecht een meer zinvolle reactie kan bieden ter voorkoming van recidive.
De officier van justitie beoordeelt zo vroeg mogelijk of er aanleiding is voor verder onderzoek en strafadvies door de reclassering in verband met de toepassing van het jeugdstrafrecht. De officier van justitie betrekt daarbij het (eerste) advies van de reclassering, waarbij de reclassering op basis van de QuickScan ASR onderzoekt of er indicaties zijn voor een achterlopende ontwikkeling en daarmee voor toepassing van het jeugdstrafrecht.3
3 De Quickscan ASR kan worden gevonden op de website van het NIFP: nifp.nl onder ‘Handreiking Wegingsinstrumenten ASR’, document ‘Handreiking Wegingsinstrumentarium ASR – Quickscan’ (14 april 2026): Handreiking Wegingsinstrumentarium ASR | NIFP.
De criteria die bij de afweging tot toepassing van het jeugdstrafrecht worden toegepast, zijn:
- aanwijzingen van een (licht) verstandelijke beperking;
- een beperkte mate van zelfredzaamheid;
- beïnvloedbaarheid en
- moeilijkheden bij de ontwikkeling richting volwassenheid.
Wanneer een reclasseringsadvies ontbreekt maar er voldoende informatie voorhanden is, kan de QuickScan ASR zelfstandig door de officier van justitie worden toegepast. De officier van justitie vraagt de reclassering een strafadvies uit te brengen over de toepassing van het jeugdstrafrecht als een of meer aanwijzingen voor een achterlopende ontwikkeling worden vastgesteld. De reclassering wint daarbij informatie in bij de Raad voor de Kinderbescherming.
2.6 Rol van de ouders of voogd
De officier van justitie betrekt de ouders of voogd met het (ouderlijk) gezag over het kind (dat wil zeggen de jeugdige die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt) actief bij de afdoening van de zaak vanaf het moment dat hij kennis neemt van het strafbare feit. De ouders of de voogd kunnen het kind in het strafproces steunen en daarnaast belangrijke informatie verstrekken over de persoonlijke omstandigheden van het kind die relevant zijn voor een passende afdoening.
De officier van justitie informeert de ouders of de voogd over de beslissingen over het kind. Bij het verhoor door de politie heeft de jeugdige verdachte het recht te worden vergezeld door de ouders, de voogd of een vertrouwenspersoon. Ook bij een OM-hoorgesprek heeft de jeugdige verdachte het recht te worden vergezeld door de ouders, de voogd of een vertrouwenspersoon.
Na dagvaarding zijn de ouders of is de voogd verplicht om aanwezig te zijn bij het onderzoek ter terechtzitting, tenzij de verdachte ten tijde van de strafzitting de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De ouders worden in ieder geval gehoord over de persoonlijke omstandigheden van de jeugdige verdachte. Hetzelfde geldt voor de voogd. Indien de jeugdige verdachte jonger was dan 14 jaar ten tijde van het gepleegde delict mogen de ouders zich ook uitlaten over een vordering van de benadeelde partij.
2.7 Proces-verbaal verhoor jeugdigen
De politie gebruikt het proces-verbaal van verhoor van een jeugdige verdachte (ook bekend als proces-verbaal verhoor minderjarigen) voor het weergeven van de antwoorden op de zaaksgerelateerde vragen en op de sociale vragen. De officier van justitie kan de antwoorden op de sociale vragen gebruiken bij het bepalen van het vervolgtraject.
2.8 Plaats van vervolging
Het uitgangspunt is dat de vervolging en berechting van een jeugdige verdachte (die de leeftijd van 18 jaar nog heeft bereikt) voor een misdrijf plaatsvindt in het arrondissement waar de jeugdige zijn wettelijke woonplaats heeft. Dit is de woonplaats van het wettig of gestelde gezag (de ouders of voogd). Dit uitgangspunt geldt ook als het strafbare feit is gepleegd buiten dit arrondissement. Bij overtredingen geldt als uitgangspunt vervolging in het arrondissement van de pleegplaats.
Uit de hoofdregel volgt dat ingeval een jeugdige een misdrijf pleegt in een ander arrondissement dan dat van het wettig domicilie, de zaak in beginsel wordt overgedragen naar het laatstgenoemde arrondissement. De officier van justitie mag afwijken van het uitgangspunt van vervolging voor misdrijven in het arrondissement van de wettelijke woonplaats in het geval:
- Jeugdigen niet feitelijk verblijven in het arrondissement van hun wettelijke woonplaats. Hierbij wordt onder meer gedoeld op zogenoemd uithuisgeplaatste jeugdigen in het kader van een ondertoezichtstelling, alsmede de zelfstandig wonende jeugdigen, voor zover zij wonen in een ander arrondissement dan dat van de ouders of voogd.
- Jeugdigen die in groepsverband misdrijven hebben gepleegd in een ander arrondissement dan dat van hun woonplaats (al dan niet in vereniging met meerderjarigen). In dat geval worden zij (in beginsel) berecht in het arrondissement van de pleegplaats.
3. Samenwerking
3.1 Het arrondissementaal platform jeugdcriminaliteit (APJ)
Het openbaar ministerie organiseert in elk arrondissement een arrondissementaal platform jeugdcriminaliteit (APJ). Het doel van het APJ is om de afstemming rond de aanpak van de jeugdcriminaliteit tussen de (justitie)partners te verbeteren. De (coördinerend) jeugdofficier van justitie van het arrondissementsparket is de voorzitter van het APJ. Bij het APJ worden in ieder geval betrokken de politie (jeugdportefeuillehouder), de Raad voor de Kinderbescherming (gebiedsmanager), de jeugdreclassering en Halt (manager). Ook worden uitgenodigd de rechtbank (kinderrechters), het Nederlands Instituut voor Forensische psychiatrie en psychologie (NIFP), de volwassenreclassering, de in het arrondissement gelegen Justitiële Jeugdinrichting (JJI) en/of Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd (KVJJ), een afvaardiging van gemeenten in het arrondissement en een vertegenwoordiger van de jeugdstrafrechtadvocatuur.
3.2 Raad voor de Kinderbescherming
Als de officier van justitie besluit om de jeugdige verdachte te vervolgen, wint de officier van justitie bij de Raad voor de Kinderbescherming inlichtingen in over de persoonlijkheid en de levensomstandigheden van de jeugdige verdachte. Hiervan kan worden afgeweken als de officier van justitie het voornemen heeft een OM-strafbeschikking uit te vaardigen en de inlichtingen gezien (de ernst van) het delict, de vermoedelijke problematiek van de verdachte of de bijzondere omstandigheden van de zaak niet noodzakelijk worden geacht. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de officier van justitie en de kinderrechter over de strafrechtelijke afdoening, waarbij rekening wordt gehouden met eventuele specifieke kwetsbaarheden bij de jeugdige verdachte.
3.3 Pro Justitiarapportage
Indien de officier van justitie overweegt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen of een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige te vorderen bij een jeugdige die wordt verdacht van een ernstig delict of veelvuldige recidive, benoemt de officier van justitie een deskundige via het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) – of bij een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige eventueel via de Raad voor de Kinderbescherming – met de opdracht tot het opstellen van een gedragskundige pro Justitiarapportage.
De officier van justitie geeft slechts een onderzoeksopdracht indien er mogelijk een verband bestaat tussen (de ernst van) het delict, de vermoedelijke problematiek van de verdachte of de bijzondere omstandigheden van de zaak.
3.4 Doorlooptijden
De officier van justitie streeft ernaar strafbare feiten met jeugdigen af te doen binnen de streefnormen voor doorlooptijden die zijn afgesproken door het Bestuurlijk Ketenberaad. Het tijdig afdoen van strafbare feiten gepleegd door jeugdigen past bij het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht.
Voor de officier van justitie gelden de volgende streefnormen vanaf het moment van registratie van de zaak bij het openbaar ministerie.
Afdoening |
Termijn |
| Uitgevaardigde OM-strafbeschikking | 80% in 120 dagen |
| Andere afdoening dan OM-strafbeschikking | 80% in 60 dagen |
| Beslissing tot dagvaarding | 80% in 60 dagen |
De officier van justitie draagt bij aan het behalen van de volgende ketenbrede doorlooptijden. Deze gelden vanaf het moment dat de politie een jeugdige als verdachte in een zaak aanmerkt.
Afdoening |
Termijn |
| Uitgevaardigde OM-strafbeschikking | 80% in 180 dagen |
| Andere afdoening dan OM-strafbeschikking | 80% in 120 dagen |
| Uitspraak enkelvoudige kinderrechter | 80% in 240 dagen |
| Uitspraak meervoudige kamer | 80% in 300 dagen |
4. Afdoeningsmogelijkheden bij jeugdigen
4.1 Afdoeningsmogelijkheden
De bevoegde opsporingsambtenaar en officier van justitie gebruiken de onderstaande tabel als uitgangspunt bij de keuze voor de afdoening van een strafbaar en bewijsbaar strafbaar feit met een jeugdige verdachte:
| Licht delict | Zwaarder delict of recidive | Ernstig delict of veelvuldige recidive |
|
|
|
4.2 Reprimande
De bevoegde opsporingsambtenaar kan een jeugdige first offender bij een overtreding of een licht misdrijf een reprimande (een waarschuwing) geven, bij voorkeur in aanwezigheid van de ouders/voogd. Een inhoudelijk verhoor hoeft daarbij niet plaats te vinden. De reprimande komt niet op de justitiële documentatie te staan. De bevoegde opsporingsambtenaar registreert de reprimande wel in het daarvoor toepasselijke registratiesysteem.
De bevoegde opsporingsambtenaar kan een reprimande geven voor:
- alle overtredingen;
- winkeldiefstal (maximale schade 50 euro);
- vernieling (schade vergoed);
- ID-fraude in de horeca.
Bij een tweede verdenking of verdenking voor een ander type misdrijf mag de bevoegde opsporingsambtenaar alleen een reprimande geven met toestemming van de officier van justitie. Het dient dan te gaan om een misdrijf dat valt binnen de reikwijdte van het Besluit Aanwijzing Halt-feiten 2024.
4.3 Halt-afdoening
De bevoegde opsporingsambtenaar of de officier van justitie kunnen aan een jeugdige verdachte het voorstel doen om aan een Halt-afdoening deel te nemen. In het Besluit aanwijzing Halt-feiten 2024 staat voor welke strafbare feiten en onder welke voorwaarden de jeugdige verdachte een Halt-interventie kan worden aangeboden. De Halt-afdoening biedt de mogelijkheid om bij (licht) delictgedrag van jeugdigen een interventie toe te passen en recht te doen aan de gevolgen voor slachtoffers, zonder de negatieve gevolgen van registratie in de justitiële documentatie. Een Halt-afdoening bestaat uit één of meerdere gesprekken met de jeugdige en de ouders of voogd, het maken van excuses aan het slachtoffer of in voorkomende gevallen een herstelgesprek, het vergoeden van de door de jeugdige aangerichte schade en het uitvoeren van een leeropdracht of een werkopdracht. De duur van de deelname aan de Halt-afdoening is in elke combinatie maximaal 20 uren.
De bevoegde opsporingsambtenaar of officier van justitie informeert de jeugdige over het aanbod voor een Halt-afdoening, en waar mogelijk de advocaat van de jeugdige. De bevoegde opsporingsambtenaar of officier van justitie deelt de jeugdige mee dat hij niet verplicht is het voorstel tot een Halt-afdoening te accepteren. Ook wordt uitgelegd wat de mogelijke gevolgen zijn van niet-deelname. Bij jeugdigen onder de 16 jaar dienen de ouders in te stemmen met de verwijzing naar Halt.
4.4. Sepot – technisch en beleid
De officier van justitie beoordeelt bij een sepot vanwege gebrek aan bewijsmateriaal bij jeugdigen zorgvuldig of het gaat om een sepot 01 (ten onrechte als verdachte aangemerkt) of sepot 02 (onvoldoende bewijs). De keuze voor de sepotgrond heeft voor jeugdigen gevolgen voor de justitiële documentatie.
De officier van justitie kan besluiten om een jeugdige verdachte om beleidsmatige redenen niet te vervolgen. Bij een beleidssepot kan de vervolging onder voorwaarden worden beëindigd. Bij een voorwaardelijk sepot wordt de algemene voorwaarde gesteld dat de verdachte geen strafbare feiten begaat binnen een proeftijd van ten hoogste één jaar. Bij een voorwaardelijke sepot worden geen andere voorwaarden gesteld. Daarvoor dient de OM-strafbeschikking te worden benut. Een beleidssepot komt op de justitiële documentatie te staan.
4.5 OM-strafbeschikking
Indien de officier van justitie besluit de jeugdige te vervolgen, is het uitvaardigen van een strafbeschikking het uitgangspunt bij feiten waarvoor dat wettelijk gezien mogelijk is. Een strafbeschikking kan bij jeugdigen worden uitgevaardigd voor overtredingen en voor misdrijven, waarop naar wettelijke omschrijving niet meer dan zes jaar gevangenisstraf is gesteld.
De officier van justitie hoort de jeugdige verdachte in een OM-hoorgesprek voorafgaand aan de uitvaardiging van een strafbeschikking. De officier van justitie roept de jeugdige verdachte, zijn ouders of voogd en zijn raadsman op voor aanwezigheid bij het OM-hoorgesprek.
Bij de uitvaardiging van een strafbeschikking is het uitgangspunt dat de opgelegde straffen en maatregelen gunstiger zijn dan de te verwachten strafeis op zitting. De officier van justitie betrekt (indien aanwezig) het advies van de Raad voor de Kinderbescherming bij het bepalen van de passende straf.
Bij een jeugdige wordt in een strafbeschikking een taakstraf voor de duur van maximaal 40 uren opgelegd. Hoewel artikel 77f lid 2 Sr de mogelijkheid biedt tot oplegging van een taakstraf van maximaal 60 uren, wordt van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt omdat bij ernstigere delicten intensiever wordt ingezet op gedragsverandering en daarom het oordeel van de rechter noodzakelijk wordt geacht.
Van de mogelijkheid tot het opleggen van een reclasseringstoezicht voor de duur van (maximaal) zes maanden wordt slechts gebruik gemaakt indien de officier van justitie heeft vastgesteld dat het reclasseringstoezicht uitvoerbaar en effectief is.
In het geval er sprake is van een zwaarder delict, recidive en achterliggende problematiek, overweegt de officier van justitie of volstaan kan worden met een OM-strafbeschikking. Daarbij wordt meegewogen dat er bij de OM-strafbeschikking ten opzichte van een vonnis van de kinderrechter minder mogelijkheden zijn om in te zetten op de gedragsverandering van de jeugdige.
4.6 Dagvaarden
De officier van justitie kan kiezen voor het dagvaarden van een jeugdige verdachte voor de kinderrechter of meervoudige jeugdkamer, als de verdachte wordt verdacht van een zwaarder delict of er sprake is van recidive, en het oordeel van de rechter noodzakelijk wordt geacht. Naast een steviger signaal over de ernst van het strafbare feit kan bij de rechter eveneens intensiever worden ingezet op gedragsverandering door middel van een jeugdreclasseringstoezicht binnen de gestelde proeftijd van maximaal twee jaren en eventueel op aanvullende jeugdhulp in strafrechtelijk kader.
4.7 Voorlopige hechtenis
De officier van justitie vordert uitsluitend de voorlopige hechtenis indien dit in geval van een ernstig delict of veelvuldige recidive noodzakelijk is en reële alternatieven ontbreken. Wanneer wel voorlopige hechtenis wordt gevorderd, wordt daar waar mogelijk om schorsing verzocht.
5. Strafvordering
5.1 Strafmaat bij verdachten in de leeftijd van 18 tot 23 jaar
Bij toepassing van het jeugdstrafrecht bij verdachten in de leeftijd van 18 tot 23 jaar hanteert de officier van justitie bij het bepalen van de passende straf of maatregel deze aanwijzing en de strafvorderingsrichtlijnen die gelden voor jeugdige daders. Bij het meewegen van strafverzwarende en strafverminderende factoren kan de officier van justitie rekening houden met de hogere leeftijd van de dader en de daarbij behorende toenemende mate van verantwoordelijkheid.
5.2 Geldboete
De officier van justitie kan een geldboete opleggen of vorderen indien de jeugdige een bron van inkomsten heeft of in staat moet worden geacht zelf het geld voor de boete te verdienen. Dit betreft vooral jeugdigen vanaf 15 jaar. Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met de draagkracht. De vergoeding van geleden schade heeft voorrang op het betalen van een boete.
5.3 Schadevergoedingsmaatregel
De officier van justitie kan overgaan tot oplegging of vordering van een schadevergoedingsmaatregel als het slachtoffer de wens heeft tot vergoeding van geleden schade. De schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd bij een jeugdige die 14 jaar of ouder is. Bij een vordering tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel wordt de duur van de vervangende gijzeling bij voorkeur op 0 dagen gesteld om vrijheidsbeneming te voorkomen.
5.4 Ontnemingsmaatregel
Herstel van de rechtmatige toestand kan bestaan uit het afpakken van het wederrechtelijk genoten voordeel bij jeugdigen. Hiermee kan zichtbaar en voelbaar worden gemaakt dat misdaad niet loont. Bij een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt de vervangende duur van de gijzeling bij voorkeur op 0 dagen gesteld om vrijheidsbeneming te voorkomen.
5.5 Expliciteren bijzondere voorwaarden, toezicht en begeleiding en jeugdhulp
De officier van justitie neem in de strafbeschikking of de vordering ter terechtzitting expliciet op welke gecertificeerde instelling wordt belast met jeugdreclasseringstoezicht en begeleiding bij het naleven van bijzondere voorwaarden. Ook de overige bijzondere voorwaarden en de toepassing van aanvullende jeugdhulp in het strafrechtelijk kader worden expliciet vermeld, zodat duidelijkheid wordt verkregen over de reikwijdte van het toezicht in het vonnis en in de fase van de tenuitvoerlegging. Het is de bedoeling om richting de jeugdige en de uitvoerder van het jeugdreclasseringstoezicht zo duidelijk te maken aan welke voorwaarden de veroordeelde moet voldoen.
5.6 Verhouding met Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen
Indien en voor zover er in de wet of in deze aanwijzing niet anders wordt bepaald, past de officier van justitie de Aanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen toe op de strafvordering voor jeugdigen met inachtneming van de pedagogische beginselen van het jeugdstrafrecht.
5.7 Overig
Voor elke € 100 van de te betalen geldboete wordt 1 dag vervangende jeugddetentie gevorderd.
Voor elke 2 uur taakstraf wordt 1 dag vervangende jeugddetentie gevorderd.
In de strafmaattabel wordt als omrekenfactor voor iedere 2 uur taakstraf € 10 euro geldboete gehanteerd.
Slotbepaling
Deze aanwijzing treedt in werking op 1 oktober 2026.