Gevangenisstraffen tot 24 maanden voor faillissementsfraude in de bouw

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft vandaag voor de rechtbank Den Bosch gevangenisstraffen tot 24 maanden geëist tegen twee broers uit Limburg in een onderzoek naar loonheffings- en faillissementsfraude. De hoofdverdachte is volgens de officier met hulp van zijn broer verantwoordelijk voor het benadelen van de belastingdienst en een pensioenfonds voor een bedrag van 3,1 miljoen euro. OM verwijt hem onder andere het opzettelijk beschikbaar stellen van een onjuiste administratie.

Kilometeradministratie

De broers waren formeel bestuurders van een uitzendbureau in de bouw in Limburg. Sommige werknemers werkten op vaste adressen, anderen gingen elke dag naar een andere locatie om te werken. Het onderzoek door de FIOD startte naar aanleiding van een boeken- en derdenonderzoek bij klanten van het uitzendbureau. Uit dat onderzoek zou blijken dat een dertigtal medewerkers nooit op locaties waren geweest die in de kilometeradministratie werd genoemd. De werknemers moesten handgeschreven lijsten invullen en bij hun werkgever indienen. Deze lijsten werden structureel weggegooid en vervangen door getypte lijsten. De reisafstanden op de digitale lijsten waren structureel hoger dan de handgeschreven lijsten. Ook zou uit de administratie blijken dat het brutoloon van de medewerkers veel lager dan het mondeling afgesproken nettoloon. Het vermoeden rees dat de getoonde administratie niet de werkelijke situatie vertegenwoordigde. In de belastingaangiftes van 2011 en 2012 werd minder loonheffing opgegeven. Uit een verklaring van een oud-medewerker zou blijken dat deze handelwijze binnen het bedrijf structureel was. De boekhouder verklaarde dat de hoofdverdachte in de periode 2011 en 2012 zelf de loonadministratie heeft gedaan. En hij bepaalde wat er als bruto salaris werd ingevoerd in de loonadministratie. De werkwijze van de hoofdverdachte leidde er toe dat in 2011 en 2012 de staat voor een bedrag van bijna 200.000 euro benadeeld werd.

Faillissementsfraude

Het uitzendbureau van de verdachten is op 24 februari failliet gegaan. Volgens de officier waren er in 2013 al duidelijke signalen dat het niet goed ging met het bedrijf. Zo was er al een boekenonderzoek door de belastingdienst geweest omdat het bedrijf cao-belastingen niet naleefde, werd de financiering door een bank stopgezet en meldde het uitzendbureau zelf een betalingsonmacht bij de belastingdienst. De verdachte bestuurders hadden in 2013 zelf twee andere bedrijven opgericht. De activiteiten van het uitzendbureau werden naar de nieuwe bedrijven overgeheveld. De schulden aan de belastingdienst en het pensioenfonds, in totaal 2,9 miljoen euro, werden in de oude BV achter gelaten. Ondanks alle problemen werden er in 2013 hogere salarisbetalingen dan normaal aan beide verdachten en hun moeder gedaan. Ook een sponsorovereenkomst van 52.000 euro aan bedrijf van de medeverdachte in de professionele paardensport, liep gewoon door.

Ernst van de feiten en strafeis

Door meerdere minder belasting te betalen wordt de samenleving als geheel financieel benadeeld. Faillissementsfraude ondermijnt het vertrouwen in het handelsverkeer, verstoort de concurrentieverhoudingen en brengt de maatschappij schade toe. Daarom pakt de overheid dit soort fraude aan. De officier vindt dat de verdachten als bestuurders van het uitzendbureau de mogelijkheid hadden om de overtredingen te stoppen. Ze hadden de volledige zeggenschap, waren volledig op de hoogte en hadden hierin een beslissende rol. Tegen de hoofdverdachte eiste de officier van justitie 24 maanden, waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en een bestuursverbod van drie jaar. Tegen de medeverdachte werd een gevangenisstraf van 12 maanden geëist, waarvan zes voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank doet over twee weken uitspraak.