In hoger beroep celstraffen van 30 jaar geëist voor de moord op Sven Prins

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft in hoger beroep voor het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch tegen alle drie de mannen, die verdacht worden van de moord op Sven Prins en de poging tot moord op de bestuurder van de auto waar Prins in zat, een gevangenisstraf geëist van 30 jaren.

Op 25 september 2015 wordt de Langebergbuurt in Brunssum-Zuid opgeschrikt door vuurwapengeweld. Er vindt, terwijl er mensen op straat zijn, een wilde achtervolging plaats door de wijk waarbij al rijdende vanuit de ene auto op de andere wordt geschoten. Het voertuig waar Prins als bijrijder in zit wordt doorzeefd met kogels en komt tot stilstand. Beide inzittenden weten uit de auto te komen en Prins vlucht de tuin van een nabijgelegen woning in, nog altijd achtervolgd door en beschoten vanuit de andere auto. Hij overlijdt ter plaatse.

Forse straffen

Door de rechtbank werden in eerste aanleg forse straffen aan de verdachten opgelegd; een van hen is tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Deze verdachte kreeg op Curaçao eerder celstraffen van in totaal tien jaar opgelegd voor geweld tegen personen. De twee andere verdachten werden in eerste aanleg veroordeeld tot gevangenisstraffen van 30 jaar. De officier van justitie had in eerste aanleg tegen alle drie de verdachten een gevangenisstraf van 25 jaar geëist.

Politie-informant

In het onderzoek naar de feiten is onder meer een zogenaamd WOD-traject (werken onder dekmantel) ingezet. Tijdens meerdere ontmoetingen verkochten verdachten onder meer wapens aan de undercover-agent. Verdachten Jurandy T. en Xionel B. bekenden tijdens een van die contacten aan de informant dat zij en een zekere ‘de Lange’ – dit is een bijnaam van medeverdachte Sergio K. - verantwoordelijk waren voor de dood van Sven Prins. Ter zitting in eerste aanleg stelden verdachten dat hierover helemaal niet met de undercover gesproken zou zijn, dan wel dat er zou zijn gebluft. Zowel de verdachten B. als K. hebben gesteld niet betrokken te zijn geweest bij het schietincident en over een alibi te beschikken. Uit het dossier blijkt dat verdachten daderinformatie aan de politie-informant hebben doorgegeven. Bovendien stroken hun verklaringen met ander bewijsmateriaal.

Aanvullend onderzoek

In hoger beroep heeft verdachte T. een bekennende verklaring afgelegd en verklaard dat medeverdachte B. de bestuurder is geweest van het voertuig, van waaruit hij en de bijrijder geschoten hebben. Hij verklaart bovendien dat medeverdachte K. niet deze bijrijder was, maar dat dit een vriend van medeverdachte B. was. Er heeft in hoger beroep nog meer onderzoek plaatsgevonden, waaronder aanvullend forensisch onderzoek en het horen van verschillende getuigen op zitting en bij de raadsheer-commissaris. Het OM meent dat de verklaringen laten zien dat de alibi’s van verdachten ongeloofwaardig zijn. “Het lijkt er sterk op dat voor verdachten B. en K. is getracht achteraf een alibi te construeren”.

Eisen

Wat de advocaten-generaal (AG’s) betreft kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat verdachten op nauwe en bewuste wijze hebben samengewerkt en ieder van hen een significante bijdrage heeft geleverd aan de schietpartij. De AG’s stonden ter zitting uitvoerig stil bij de impact van de feiten, niet alleen voor het slachtoffers, maar ook voor de nabestaanden en alle personen die ongewild getuige zijn geweest van de achtervolging en schietpartij op de openbare weg. Naast de moord en poging daartoe draait het in deze zaak ook om andere feiten, waaronder de verkoop van vuurwapens. Het OM meent dat enkel langdurige gevangenisstraffen gepast zijn bij deze ernstige feiten.