| Van: | College van procureurs-generaal |
|---|---|
| Aan: |
Hoofden van de OM-onderdelen, de korpschef van de politie, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee |
| Registratienr.: | 2024I006 |
| Datum inwerkingtreding: | 01-07-2024 |
| Vervallen: | Instructie zeden en kinderpornografie (2016I002) |
| Relevante beleidsregels OM: | Aanwijzing seksuele misdrijven (2024A005) |
| Wetsbepalingen: |
Titel XIV, TweedeBoek vanhet Wetboek van Strafrecht |
SAMENVATTING
Deze instructie geeft in aanvulling op de Aanwijzing seksuele misdrijven regels voor het opsporingsonderzoek en de te nemen beslissingen tijdens het onderzoek, over de vervolging, over de zittingsvoorbereiding en het hoger beroep.
De instructie ziet op seksuele misdrijven waarbij zaken betreffende kinderporno/kindersekstoerisme zijn uitgezonderd.
1. HET ONDERZOEK
1.1. Start van het onderzoek
Spoedhandelingen
Bij de start van het onderzoek worden spoedhandelingen altijd als eerste verricht. Te denken valt aan een forensisch medisch onderzoek of het maken van een voorgeleidingsverbaal.
Onderzoek
In beginsel worden zaken op volgorde van binnenkomst afgehandeld. Zaken met direct gevaar voor de veiligheid van personen – waaronder acuut misbruik of herhalingsgevaar – en zaken met grote maatschappelijke impact, bijvoorbeeld vanwege de ernst van het delict, kunnen voorrang krijgen. Hierover is afstemming met de coördinerend zedenofficier nodig.
Seksuele misdrijven vinden vaak plaats binnen een complexe context, bijvoorbeeld binnen familieverband. Het is belangrijk dat bij het maken van beslissingen in een zaak rekening wordt gehouden met eventuele zorgen over de veiligheid van de betrokkenen op korte en lange termijn. Gedurende het verloop van een zaak is de (zaaks)officier van justitie verantwoordelijk voor het nemen van beslissingen met het oog op de veiligheid van de betrokkenen. Deze officier van justitie werkt, indien dit passend wordt geacht, hierbij samen met relevante netwerkpartners zoals Veilig Thuis of Centrum Seksueel Geweld.
1.2. Plan van aanpak
In beginsel verstrekt de politie in elke zaak waarin aangifte van een seksueel misdrijf is gedaan, een plan van aanpak met als bijlage de inhoud van de melding, een eventueel informatief gesprek en de aangifte. De zedenofficier van justitie beoordeelt het plan van aanpak en bepaalt op basis van de dan beschikbare informatie ter zake van welke strafbepaling het opsporingsonderzoek wordt ingezet. Bij de beoordeling van het plan van aanpak bekijkt de zedenofficier van justitie in het bijzonder of de politie aanvullend op het plan van aanpak bepaalde (spoed)onderzoekshandelingen op korte termijn moet uitvoeren, of voorgeleiding aan de orde is en of er andere dan de voorgestelde maatregelen nodig zijn om de directe veiligheid van betrokkenen te waarborgen. Bij de beoordeling van het plan van aanpak, worden de factoren rondom de veerkracht van betrokkenen zoals deze in de Aanwijzing seksuele misdrijven zijn beschreven, meegewogen.
1.3. Aansturen van het opsporingsonderzoek
Elk arrondissement kent een sturings- en wegingsoverleg tussen de (coördinerend) zedenofficier van justitie en het managementteam zeden van de politie. Tijdens het overleg worden de beoordeelde plannen van aanpak vastgesteld en de zaken geprioriteerd. Tijdens het sturings- en wegingsoverleg worden ook de zaken besproken die mogelijk voor ambtshalve vervolging in aanmerking komen.
Het opsporingsonderzoek vindt plaats op basis van het plan van aanpak zoals vastgesteld in het sturings- en wegingsoverleg. Dit onderzoek vindt plaats onder leiding van een zedenofficier van justitie. Afwijkingen van het plan van aanpak door politie worden met deze officier van justitie overlegd. Als er (grote) wijzigingen zijn voor de in de zaak benodigde capaciteit, dan wordt de zaak opnieuw besproken in het sturings- en wegingsoverleg. Seksuele misdrijven die vanwege de inhoud of grote impact als complex kunnen worden beschouwd, worden door de coördinerend zedenofficier van justitie geleid.
1.4. Internetgerelateerde onderzoeken: locatie en aansturing
In geval van seksuele misdrijven, niet zijnde kinderporno, die via het internet worden gepleegd en waarbij dus geen fysiek seksueel contact heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld het seksueel benaderen van kinderen) wordt de zaak opgepakt door de regio waar de verdachte woont. Indien tevens sprake is van samenhang met een overtreding van artikel 240b Sr (oud) en/of 252 Sr (nieuw) wordt samenwerking gezocht met een Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme en vindt sturing en weging plaats in afstemming met de kinderporno-officier van justitie van het landelijk parket.
1.5. Maatschappelijke onrust
In zaken waarin maatschappelijke onrust te verwachten valt, wordt gehandeld conform het Protocol maatschappelijke onrust. Dat betekent dat in een zo vroeg mogelijk stadium via de driehoek een op de casus toegesneden scenario in werking wordt gesteld.
1.6. Inzet Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken
De Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken (LEBZ) wordt geconsulteerd bij zaken met aspecten van hervonden herinneringen, herinneringen van voor het derde levensjaar of herinneringen aan zaken die zich meer dan acht geleden zouden hebben voorgedaan en waarbij sprake is van bijkomende problematiek. Ook overige zaken met gedragswetenschappelijke aspecten die relevant zijn voor de bewijsvoering kunnen ter beoordeling worden voorgelegd aan de LEBZ Voorbeelden zijn: de betrouwbaarheid van de verklaring hervonden herinneringen, de invloed van therapeuten op verklaringen, de werking van het geheugen, waarneming door getuigen, geseksualiseerd gedrag van kinderen. Zaken worden voorgelegd voordat de verdachte is gehoord.
2. BESLISSINGEN TIJDENS HET ONDERZOEK
2.1. Aanhouding van verdachte
De verdachte wordt in beginsel schriftelijk uitgenodigd op het politiebureau voordat hij/zij wordt aangehouden. Voorafgaand aan de uitnodiging is er overleg met de zaaksofficier van justitie over eventuele voorgeleiding en over de duur van de eventuele inverzekeringstelling. Na afloop van het verhoor overlegt de politie opnieuw met de zaaksofficier van justitie om te bepalen of de verklaring van de verdachte aanleiding geeft tot nadere onderzoekshandelingen.
2.2. Voorgeleiding
In beginsel wordt in ieder geval voorgeleid in gevallen waarin sprake is van een feit waar twaalf jaren gevangenisstraf of meer op staat en er sprake is van een geschokte rechtsorde. Bij seksuele misdrijven is dat dus mogelijk aan de orde bij een verdenking ter zake van de artikelen 242 en 244 Sr (oud) en 243, 246, 248, 249, en 250 Sr.
Als sprake is van een feit waar zes jaar gevangenisstraf of meer op staat, dan wel een feit waar de gezondheid of veiligheid van personen in het geding is, wordt in beginsel voorgeleid als onderbouwd kan worden dat sprake is van een kans op herhaling. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van taxatie-instrumenten van de reclassering of het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). De officier van justitie ziet erop toe dat bij de beslissing tot voorgeleiden alle relevante informatie is betrokken, zoals de delictgeschiedenis van de verdachte maar ook eventueel door andere instanties getroffen maatregelen met betrekking tot de veiligheid of de veerkracht van betrokkenen of anderen. Als de verdachte in de directe leefomgeving van het slachtoffer woont, dan wordt uitgegaan van herhalingsgevaar, tenzij uit het onderzoek van de reclassering of het NIFP blijkt dat daarvan geen sprake is.
2.3. Schorsing onder voorwaarden
Indien er rekening mee gehouden moet worden dat de voorlopige hechtenis van de verdachte zal worden geschorst, ziet de officier van justitie erop toe dat in het reclasseringsadvies een onderbouwd voorstel met betrekking tot de veiligheid van betrokkenen of anderen (zowel op de korte als op de lange termijn) wordt gedaan op basis van de beschikbare taxatie-instrumenten. Ook de door de reclassering daarbij geformuleerde bijzondere voorwaarden moeten onderbouwd zijn; of en zo ja, op welke wijze ze bijdragen aan de veiligheid van de betrokkenen of anderen en of en zo ja, op welke manier zij de veerkracht van het slachtoffer mogelijk raken.
2.4. Gedragsaanwijzing
Als er maatregelen nodig zijn in het kader van de directe of duurzame veiligheid van betrokkenen of derden, dan wel in het kader van de veerkracht van het slachtoffer, maar er wordt niet voorgeleid, dan wordt een maatregel op grond van artikel 509hh Sv uitdrukkelijk overwogen. Of en zo ja, welke gedragsaanwijzing wordt opgelegd, wordt zo mogelijk onderbouwd met rapportage of advies van de reclassering of een andere instantie.
2.5. Inzet slachtoffercoördinator
Het OM heeft als taak slachtoffers van ernstige zedendelicten optimaal te ondersteunen tijdens de gehele rechtsgang. De slachtoffercoördinator wordt door de zaaksofficier van justitie uiterlijk aan de zaak gekoppeld als het proces-verbaal is binnengekomen bij het OM. De slachtoffercoördinator handelt volgens de afspraken die zijn vastgelegd in het Protocol maatwerk 3.0. De zaaksofficier van justitie zorgt ervoor dat de slachtoffercoördinator beschikt over voldoende informatie om deze afspraken - die gericht zijn op het tijdig en zo volledig mogelijk informeren van het slachtoffer- te kunnen uitvoeren.
3. BESLISSING OVER VERVOLGING
Zo snel mogelijk, maar in elk geval binnen zestig dagen na binnenkomst van het dossier op het arrondissementsparket worden de vervolgingsmogelijkheden beoordeeld. Bij twijfel over de bewijsbaarheid en/of de betrouwbaarheid van de aangifte, en in zaken waarin ambtshalve onderzoek is gedaan, vindt altijd overleg met de coördinerend zedenofficier van justitie plaats voordat definitief wordt besloten.
De zaaksofficier van justitie stelt – in gevolge artikel 167a Sv – minderjarigen ouder dan twaalf die het slachtoffer zijn van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 245 tot en met 248 en 251 Sr, in staat om hun mening te geven over het gepleegde feit. De zaaksofficier van justitie laat de verklaring van het slachtoffer meewegen in de beslissing over de vervolging. Bij de afweging over wel of niet vervolgen, wordt verder opnieuw beoordeeld of en zo ja, op welke wijze het strafrecht toegevoegde waarde heeft voor de veiligheid en veerkracht van betrokkenen en anderen. Bij de inschatting hiervan wordt informatie van onder andere de Raad voor de Kinderbescherming, de reclassering, Veilig Thuis en/of het NIFP betrokken. De officier van justitie ziet erop toe dat bij het advies alle relevante informatie, ook over andere betrokkenen dan de verdachte en het slachtoffer zelf, is betrokken. Daarnaast vergewist de officier van justitie zich van of gebruik gemaakt is van gevalideerde instrumenten om het advies mee te onderbouwen.
De communicatie met het slachtoffer is geregeld in de Aanwijzing slachtoffers in het strafproces. Voor zaken betreffende seksuele misdrijven geldt dat een op maat gemaakte sepotbrief wordt verstuurd in het geval van een sepotbeslissing met daarin het aanbod tot een gesprek met de officier van justitie over de sepotbeslissing.
4. (VOORBEREIDING OP) DE ZITTING
Zo spoedig mogelijk na beoordeling van het dossier wordt de zaak op een zitting gepland. Uitgangspunt is dat de officier van justitie die het onderzoek heeft aangestuurd, zelf de zittingsofficier van justitie is. Seksuele misdrijven worden in beginsel op een MK-zitting gepland. Eenvoudige aanrandingen[1], aanstootgevend gedrag en overige lichtere seksuele misdrijven kunnen in overleg met de coördinerend zedenofficier van justitie op een PR worden gepland. Zaken van seksuele intimidatie waarin gedagvaard wordt, worden bij de kantonrechter behandeld.
Om te voorkomen dat slachtoffers van een seksueel misdrijf ook slachtoffer worden van een belastende juridische procedure, bijvoorbeeld als gevolg van herhaling van verhoren, stelt het openbaar ministerie de raadsman van de verdachte op diens verzoek in de gelegenheid de auditieve of audiovisuele opname van het verhoor in te zien dan wel te beluisteren. Kopieën van de registraties worden niet verstrekt. Ook de verdachte zelf wordt in beginsel niet toegelaten bij het bekijken of beluisteren. Waar nodig kunnen beelden van de verhoren ter zitting worden getoond, hoewel ook dat zoveel mogelijk moet worden vermeden met het oog op de bescherming van de belangen van het slachtoffer. De officier van justitie verzet zich in alle gevallen tegen vertoning van de registratie van een studioverhoor van een minderjarige jonger dan twaalf jaar op een openbare zitting. Als alternatief kan gekozen worden voor woordelijke uitwerking van het studioverhoor, indien noodzakelijk.
Waar nodig kan een deskundige worden benoemd ten behoeve van een inhoudelijke bijdrage over de manier waarop de verhoren hebben plaatsgevonden, over de mogelijkheid van misleiding door de gehoorde persoon en/of over de betrouwbaarheid en validiteit van gebruikte opsporingsmethoden. Deskundigen kunnen geen oordeel geven over de betrouwbaarheid van de verklaring zelf, dat is een juridisch oordeel dat is voorbehouden aan de rechter. [2]
Bij het eisen van een straf worden opnieuw alle aspecten rondom veiligheid en veerkracht van betrokkenen of anderen meegenomen. Daarbij wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid tot het eisen van dadelijke uitvoerbaarheid van maatregelen in beschouwing genomen.
5.HOGER BEROEP
Van vonnissen in zaken met betrekking tot seksueel misbruik wordt alleen in overleg met de contact-advocaat-generaal appel ingesteld. De informatievoorziening richting het slachtoffer wordt door de betreffende vestiging van het Ressortsparket verzorgd, conform de Aanwijzing slachtoffers in het strafproces.
OVERGANGSRECH T
De beleidsregels in deze instructie hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.
[1] Kortstondige aanraking van een meerderjarig slachtoffer, evident gericht op aantasting van de openbare orde: baldadigheid, beledigend-, of intimiderend karakter waarbij geen sprake lijkt van een seksualiserend karakter/motief van de verdachte, waarbij geen indicatie is voor mogelijk seriematig gedrag.
[2] Meer informatie over de inzet van deskundigen in zaken betreffende seksuele misdrijven is te vinden in de “Handreiking Rechtspsychologie in zedenzaken”.