Instructie afdoening aangiften Wet Internationale Misdrijven (2018I004)

Publicatiegegevens
Van: College van procureurs-generaal
Aan: hoofden van de OM-onderdelen
Registratienr: 2018I004
Datum inwerkingtreding: 01-08-2018
Vervallen:

Aanwijzing afdoening van aangiften met betrekking tot de strafbaarstellingen in deWetinternationale misdrijven (2011A022)

Relevante beleidsregels OM: -
Wetsbepalingen: Wet Internationale Misdrijven

SAMENVATTING

In deze instructie worden regels gegeven voor het geval dat bij een arrondissementsparket of bij de politie aangifte wordt gedaan van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 3 tot en met 8b van de Wet internationale misdrijven, te weten: genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, foltering, oorlogsmisdrijven, gedwongen verdwijningen en/of agressie.

De hoofdregel is dat het Landelijk Parket te Rotterdam beslist over de afhandeling van aangiften van deze delicten. De arrondissementsparketten zenden aangiften die betrekking hebben op de genoemde delicten onmiddellijk door naar het (cluster IM van het) Landelijk Parket.

  1. ALGEMEEN

    1. Inleiding

Op 1 oktober 2003 is de Wet internationale misdrijven (WIM) in werking getreden. De kern van de WIM wordt gevormd door de omschrijving en strafbaarstelling van zogenaamde internationale misdrijven, te weten: genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, foltering, oorlogsmisdrijven, gedwongen verdwijningen [1] en agressie [2]. Deze misdrijven worden zo genoemd omdat ze tot zorg zijn van de internationale gemeenschap als geheel en worden beschouwd als de meest ernstige misdrijven tegen het internationale recht. [3] Het uitgangspunt voor de WIM is geweest om te voorzien in strafbaarstelling van de misdrijven die ook tot de competentie van het Internationaal Strafhof behoren, alsmede in adequate rechtsmacht ter zake, zodat Nederland kan voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit het Statuut van het Internationaal Strafhof. In aanvulling daarop stelt de WIM de misdrijven foltering en gedwongen verdwijning (ook) zelfstandig strafbaar. [4] De WIM wordt beheerst door het Nederlandse straf- en strafprocesrecht. Daarbij dient echter te worden opgemerkt dat bij een verschil met het Algemeen Deel van het Wetboek van Strafrecht, ingevolge artikel 91 Sr, de bepalingen van de WIM gelden.

    1. Aangifte internationale misdrijven

Het Landelijk Parket te Rotterdam is door het College van procureurs-generaal aangewezen als het parket dat aangiften met betrekking tot de door de WIM strafbaar gestelde feiten in behandeling neemt en aanbrengt voor de bevoegde rechter [5]. Dit geldt ook voor aangiften met betrekking tot genocide tegen Nederlandse en/of buitenlandse (ex)strijders aangesloten bij terroristische groeperingen zoals IS. In het geval dat een aangifte met betrekking tot genoemde misdrijven wordt gedaan bij een ander parket dient deze aangifte ter verdere behandeling onverwijld te worden doorgezonden naar het (cluster IM van het) Landelijk Parket. Dit geldt tevens voor de arrondissementsparketten Den Haag en Oost-Nederland. [6] Uitzondering hierop vormen alleen de aangiften tegen Nederlandse militairen en met hen gelijkgestelde buitenlandse krijgsgevangenen, waarvan de vervolging conform de Aanwijzing opsporing en behandeling militaire zaken plaatsvindt door het arrondissementsparket Oost-Nederland. Bij twijfel of een aangifte een misdrijf in de zin van de WIM betreft, wordt deze vraag voorgelegd aan het (cluster IM van het) Landelijk Parket.

  1. RECHTSMACHT

2.1. Artikel 2 WIM

De WIM vestigt in artikel 2 de rechtsmacht inzake genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering, gedwongen verdwijningen en agressie.

Puntsgewijs is de WIM toepasselijk op:

  • een ieder die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering, gedwongen verdwijningen en agressie, wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt;
  • een ieder die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering, gedwongen verdwijningen en agressie, wanneer het feit is begaan tegen een Nederlander;
  • de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig heeft gemaakt aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven, foltering, gedwongen verdwijningen en agressie.

De eis van dubbele strafbaarheid geldt hierbij niet.

Zoals in artikel 2 WIM aangegeven wordt, geldt deze bijzondere regeling in aanvulling op de rechtsmachtbepalingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Militair Strafrecht.

2.2. Overleg bij onduidelijkheid over rechtsmacht

De hoofdregel is dus, vervat in artikel 2, eerste lid, onder a, dat indien er geen andere wettelijke aanknopingspunten voor de uitoefening van rechtsmacht zijn, er geen rechtsmacht bestaat indien de verdachte zich niet in Nederland bevindt. Aan dit uitgangspunt moet strikt de hand worden gehouden, ook als wordt aangevoerd dat de verdachte naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn in Nederland zal arriveren. Of in gevallen, waarin de verdachte op korte termijn in Nederland zal arriveren dan wel regelmatig in Nederland pleegt te verkeren, anticiperend onderzoek kan en moet worden verricht is afhankelijk van de feitelijke achtergronden van de casus waarop de aangifte ziet. Indien zo’n situatie zich voordoet overlegt de officier van justitie van het cluster IM bij het Landelijk Parket met het Parket-Generaal (afd. BJZ) alvorens een beslissing te nemen. Het College van procureurs-generaal beslist vervolgens of anticiperend onderzoek moet worden verricht. Hierbij moet worden aangetekend dat zolang Nederland nog geen rechtsmacht heeft, er in ieder geval geen dwangmiddelen kunnen worden toegepast.

2.3. Bevoegde rechtbank

Artikel 15 van de WIM draagt de kennisneming van de internationale misdrijven op aan de rechtbank te Den Haag. De enige uitzondering op deze regel is de al bestaande (militaire) rechtspleging op grond van de Wet militaire strafrechtspraak. Die komt er op neer dat Nederlandse militairen – of met hen gelijkgestelde buitenlandse krijgsgevangenen – voor de door hen gepleegde internationale misdrijven terecht staan voor de militaire kamer van de rechtbank Gelderland.

  1. BEHANDELING VAN DE AANGIFTE

De aangifte wordt in behandeling genomen door de officier van justitie van het cluster IM bij het Landelijk Parket, die beslist of verdere stappen moeten worden ondernomen teneinde de (mogelijke) verdachte te vervolgen. Het Landelijk Parket kan de arrondissementsparketten vragen om opsporingshandelingen te laten verrichten in verband met de afdoening van de aangiften.

​​​​​​​3.1. De aangifte

Nadat de aangifte in behandeling is genomen, beoordeelt de officier van justitie van het cluster IM bij het Landelijk Parket of opsporing en vervolging is geïndiceerd. Hierna wordt beschreven welke factoren hij bij die beoordeling betrekt.

​​​​​​​3.1.1. Immuniteit

Allereerst dient vastgesteld te worden of de persoon tegen wie de aangifte zich richt immuniteit geniet. Indien kan worden vastgesteld dat er sprake is van immuniteit staat dit in de weg aan de vervolging en kan de aangifte niet verder in behandeling worden genomen. Artikel 16 van de WIM omschrijft de categorieën van personen aan wie ter zake van de in deze wet omschreven misdrijven immuniteit toekomt. Het gaat daarbij om volkenrechtelijke immuniteit, die zijn grondslag vindt in verdragen of internationaal gewoonterecht. Strafvervolging in het kader van deze wet is uitgesloten ten aanzien van buitenlandse staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken, zolang zij in functie zijn, alsmede andere personen voor zover hun immuniteit door het volkenrechtelijk gewoonterecht wordt erkend. Onder de laatste categorie vallen onder andere de hier te lande geaccrediteerde diplomaten en personen die door het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn aangemerkt als leden van officiële missies. Strafvervolging is tevens uitgesloten voor personen die over immuniteit beschikken op grond van enig verdrag dat binnen het Koninkrijk geldt. Onder deze categorie vallen bijvoorbeeld diplomaten en afgevaardigden naar bijeenkomsten van internationale organisaties en militairen die vallen onder het NAVO-Statusverdrag.

Omtrent de reikwijdte van immuniteiten ingevolge het volkenrechtelijk gewoonterecht bestaat op dit moment onduidelijkheid. Omdat de kwestie van de immuniteit doorgaans speelt in publicitair, politiek en diplomatiek gevoelige zaken kan de officier van justitie van het cluster IM bij het Landelijk Parket, alvorens een beslissing omtrent de instelling van de vervolging te nemen, in de volgende situaties overleggen met het Parket-Generaal (afd. BJZ):

  • bij twijfel over de vraag of degene op wie de aangifte betrekking heeft immuniteit geniet;
  • in het geval dat wordt aangevoerd dat de immuniteit op korte termijn zal komen te vervallen;
  • in het geval dat internationale ambtenaren zich op een immuniteitsstatus beroepen;
  • in het geval dat voorzienbaar is dat een immuniteitsgerechtigde op afzienbare termijn naar Nederland zal komen, terwijl tevens voorzienbaar zou zijn dat op dat moment de immuniteit zou zijn komen te vervallen.

Het OM kan in dergelijke situaties ook contact opnemen met het ministerie van Buitenlandse Zaken teneinde uitsluitsel te kunnen geven of in het individuele geval al dan niet sprake is van een immuniteit.

Aparte vermelding verdient het volgende. Het kan voorkomen dat Nederland zelf rechtsmacht heeft over personen die als verdachte, getuige of anderszins ten behoeve van en op bevel of verzoek van het Internationaal Strafhof door de Nederlandse autoriteiten over Nederlands grondgebied naar het terrein van het Strafhof worden geleid. Een eventuele aangifte tegen een persoon die in transit op weg is naar het Internationaal Strafhof, of na vervulling van zijn taken aldaar weer op de terugweg naar zijn staat van herkomst is, zal de officier van justitie van het cluster IM bij het Landelijk Parket reeds moeten afwijzen op de grond van strijdigheid met volkenrechtelijke verplichtingen die op Nederland als gastland van het Strafhof rusten (zie onder andere artikel 87 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof). Het vervolgingsrecht herleeft echter, als de verdachte, na verloop van een termijn waarin hij redelijkerwijs had kunnen vertrekken, toch nog in Nederland blijkt te verblijven.

​​​​​​​3.1.2. Voldoende reëel perspectief op succesvolle opsporing en vervolging binnen een redelijke termijn

Ook dient te worden beoordeeld of er voldoende reëel perspectief op succesvolle opsporing en vervolging bestaat, waarbij de strafzaak ook nog eens binnen een redelijke termijn zal kunnen worden afgerond. Voor de beantwoording van deze vraag spelen vele factoren een rol waaronder rechtsmacht, verjaringsregelingen, het bestaan van relevante (rechtshulp)verdragen, de mogelijkheden om (veilig) te werken in relevante landen, de kans dat getuigen bereid en in staat zijn om ten behoeve van de Nederlandse strafzaak een verklaring af te leggen en beschikbaarheid van (ander) bewijsmateriaal (zoals documenten en forensisch bewijs).

Bij de beoordeling of een succesvolle vervolging mogelijk is, dient de vraag te worden betrokken of redelijkerwijs te verwachten is dat binnen een redelijke termijn voldoende strafrechtelijk bewijs zal kunnen worden verzameld. Ten slotte dient onderzocht te worden of andere staten bereid of bij machte zijn aan een eventueel rechtshulpverzoek of Europees onderzoeksbevel te voldoen.

Indien de officier van justitie van het cluster IM bij het Landelijk Parket tot de conclusie komt dat een voldoende reëel perspectief op een succesvolle opsporing en vervolging binnen een redelijke termijn aanwezig is, neemt hij de aangifte in behandeling.

​​​​​​​3.1.3. Beslissing

Indien een beslissing is genomen en het onderzoek het toelaat stelt de officier van justitie van het cluster IM bij het Landelijk Parket de aangever op de hoogte van zijn beslissing. Indien niet tot vervolging wordt overgegaan wordt de aangever gewezen op de mogelijkheid ex artikel 12 Sv een klacht bij het gerechtshof te Den Haag (of het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, indien het gaat om Nederlandse militairen – of met hen gelijkgestelde buitenlandse krijgsgevangenen) in te dienen.

OVERGANGSRECHT

De WIM heeft geen terugwerkende kracht. Genocide, oorlogsmisdrijven, foltering en misdrijven tegen de menselijkheid gepleegd na 1 oktober 2003 vallen onder de WIM. Sinds 1 januari 2011 is het misdrijf gedwongen verdwijningen – naast de reeds bestaande strafbaarstelling als misdrijf tegen de menselijkheid – tevens zelfstandig strafbaar gesteld in artikel 8a WIM. Het misdrijf agressie is per 1 augustus 2018 strafbaar gesteld in artikel 8b WIM.

De feiten genocide, oorlogsmisdrijven, en foltering die zijn begaan vóór 1 oktober 2003 vallen onder het destijds geldende rechtsregime, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan de Wet Oorlogsstrafrecht, de Uitvoeringswet genocideverdrag en de Uitvoeringswet folteringverdrag.

[1] Sinds 1 januari 2011 is het misdrijf gedwongen verdwijningen – naast de reeds bestaande strafbaarstelling als misdrijf tegen de menselijkheid – tevens zelfstandig strafbaar gesteld in artikel 8a WIM (Stb. 2010, 773).

[2] Per 1 augustus 2018 is agressie strafbaar gesteld in artikel 8b van de WIM (Stb. 2018, 163).

[3] Preambule van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, 17 juli 1998, Trb. 2000, nr. 120, zie ook de Memorie van Toelichting bij de WIM, p. 1 (Kamerstukken II, 2001/02, 28337, nr. 3).

[4] Foltering en gedwongen verdwijning zijn zelfstandig strafbaar gesteld in artikel 8 respectievelijk artikel 8a van de WIM.

[5] Zie par. 2.3.

[6] Zie eveneens par. 2.3.