Op 27 april 1978 kwamen linkse legerofficieren in opstand en pleegden een staatsgreep. Daoud, de toenmalige president van Afghanistan, werd gedood. Deze revolutie, de Saur revolutie, leidde tot een strijd tussen het nieuw ingestelde communistische regime en de alsmaar groeiende verzetsgroepen in andere delen van het land. Russische troepen, Afghaanse regeringsgetrouwe militaire- en paramilitaire eenheden streden tegen veelal islamitische verzetsbewegingen. Duizenden (vermeende) tegenstanders van het communistische regime werden gearresteerd, gemarteld en vermoord.
In Nederland zijn er vier zaken voor de rechter geweest die betrekking hebben op misdrijven begaan in de context van dit gewapend conflict.
De zaak tegen Abdul Razaq A., ook bekend als Abdulrazaq R.
A. zou van 1983 tot 1990 commandant en hoofd Politieke Zaken zijn geweest in de Pul-e-Charkhi gevangenis in de Afghaanse hoofdstad Kabul. In deze beruchte gevangenis werden volgens het OM duizenden (vermeende) politieke tegenstanders van het heersende regime jarenlang zonder (eerlijk) proces opgesloten, onder onmenselijke omstandigheden.
Op 14 april 2022 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tegen A. De rechtbank heeft bewezen geacht dat hij tussen 1983 en 1988 vanuit zijn leidinggevende positie in de gevangenis betrokken is geweest bij de wrede en onmenselijke behandeling van politieke tegenstanders en hen willekeurig van hun vrijheid heeft beroofd. De rechtbank heeft deze feiten gekwalificeerd als oorlogsmisdrijven en A. veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 jaar.
Op 12 juni 2024 deed het Gerechtshof Den Haag uitspraak in het hoger beroep. Anders dan het OM en de rechtbank was het Hof van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het bestaan van het gewapend conflict een substantiële rol heeft gespeeld bij de behandeling die de politieke gevangenen ten deel viel. Het hof heeft A. om die reden vrijgesproken van de tenlastegelegde oorlogsmisdrijven.
Het OM ging in cassatie tegen de uitspraak van het hof. Op 20 mei 2025 verklaarde de Hoge Raad het OM niet-ontvankelijk was in de vervolging, niet in cassatie, omdat A. inmiddels is overleden. De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en het arrest van het hof. In het kader van transparantie publiceert het OM hier de notitie die is opgesteld voor de cassatieprocedure.
''Vaak moest ik ook gebukt staan gedurende langere tijd of op één been met mijn handen tegen de muur. Dat laatste heeft zelfs een keer veertig dagen geduurd. De ergste ontberingen die ik heb moeten ondergaan waren het plaatsen van stroom op mijn lichaam. Een aantal keren heeft men stroomdraden in mijn mond gedaan en is de stroom ingeschakeld. Het ergste wat ik heb meegemaakt is dat ze een aantal keren stroom op mijn geslachtsdelen hebben aangebracht. Dat heeft vreselijk veel pijn gedaan. In november en december, de koudste maanden in Afghanistan, moest ik ook in mijn blootje buiten in de sneeuw staan van 's avonds laat tot 's ochtends'' - fragment van getuigenis in de zaak Hesamuddin H.
Informatie uit een ander strafrechtelijk onderzoek leidde tot de aanhouding van H. Op 27 november 2004 werd hij in Boskoop aangehouden. Het gerechtshof in Den Haag veroordeelde H. tot een gevangenisstraf van 12 jaar voor foltering en marteling. De hoge raad bevestigde deze uitspraak in 2008.
"Ik werd van twaalf uur 's middags tot elf uur 's avonds gemarteld. Het martelen bestond uit het toedienen van stroom en het slaan met allerlei voorwerpen zoals stokken en twijgen... Ik kan mijn urine niet ophouden vanwege de martelingen op mijn nieren en andere martelingen. Daarnaast heb ik erge zenuwproblemen. Ik ben zeer gestrest en gespannen'' - fragment van getuigenis in de zaak tegen Habibullah J.
J. is uiteindelijk in 2007 veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf voor het oorlogsmisdrijf marteling. Deze uitspraak werd bevestigd door de Hoge Raad in 2008.
In 2006 werd F. aangehouden, maar door de rechtbank werd hij vrijgesproken van de ten laste gelegde marteling en van zijn verantwoordelijkheid als meerdere voor marteling gepleegd door zijn ondergeschikten. In hoger beroep sprak het gerechtshof 's-Gravenhage F. eveneens vrij. De Hoge Raad heeft deze uitspraak in 2011 bevestigd.