Conclusie toelichting op het onderzoek

Uitgesproken op de zitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag op 10 juni 2020.

MH17: conclusie toelichting op het onderzoek

We komen aan het einde van onze toelichting op het onderzoek. We hebben toegelicht in welke omstandigheden MH17 is neergestort in Oost-Oekraïne, en hoe die omstandigheden van invloed waren op de mogelijkheden van onderzoek ter plaatse. We hebben beschreven hoe onderzoek is gedaan naar verschillende soorten bewijsbronnen: 

  • forensische sporen;
  • telecommunicatie;
  • getuigen;
  • foto’s en video’s;
  • digitale bronnen;
  • radargegevens; 
  • satellietgegevens.

We hebben uitgelegd hoe onderzoek is gedaan naar verschillende scenario’s die het neerstorten van MH17 zouden kunnen verklaren:

  • een explosie van binnenuit;
  • een aanval door een gevechtsvliegtuig;
  • het gebruik van een ander raketsysteem dan een Buk;
  • het gebruik van een Buk-raket.

We hebben verteld hoe binnen dat laatste scenario verschillende plaatsen zijn onderzocht als mogelijke afvuurlocatie, en hoe onderzoek is gedaan naar Buk-systemen van zowel de Oekraïense als de Russische krijgsmacht.

Als laatste hebben we uitgelegd hoe verdiepend onderzoek is gedaan naar de werking van het Buk-systeem en naar de individuele rollen van de verdachten, inclusief de vraag of zij aanspraak kunnen maken op immuniteit van strafvervolging.

Daarmee komen wij tot de vraag of het dossier compleet is. Wij hebben tijdens onze toelichting al voor verschillende onderdelen van het onderzoek uitgelegd waarom wij die als voltooid beschouwen. De overkoepelende vraag naar de volledigheid van het dossier moet beantwoord worden op basis van de inhoud van de tenlasteleggingen die door uw rechtbank onderzocht moeten worden.

Daarom zullen wij eerst stilstaan bij het bereik van de tenlastelegging. Vervolgens zullen wij antwoord geven op de overkoepelende vraag naar de volledigheid van het onderzoek en het nader onderzoek dat het Openbaar Ministerie nog aangewezen vindt. Hierna zal het Openbaar Ministerie zijn standpunt formuleren ten aanzien van de status van processen-verbaal van de rechter-commissaris met betrekking tot getuige V11, die zich in het dossier bevinden, en ingaan op de aandachtspunten die uw rechtbank op 8 juni jl. heeft voorgelegd. Tot slot zullen wij stilstaan bij het verder verloop van dit zittingsblok en het strafproces.

Bereik van de tenlastelegging

Wij beginnen met het bereik van de tenlastelegging. De vraag is immers niet of het dossier alle mogelijke informatie bevat over iedere mogelijke betrokkene bij het neerschieten van vlucht MH17, maar alleen of het dossier volledig genoeg is om te oordelen over het verwijt dat het Openbaar Ministerie deze vier verdachten maakt. Daarom is het goed om nog eens stil te staan bij het bereik van die tenlasteleggingen en de wijze waarop die het bereik van het onderzoek in dit proces bepalen. Wij zullen hierbij meer woorden gebruiken dan uw rechtbank nodig heeft, omdat wij denken dat een wat ruimere uitleg op dit punt de begrijpelijkheid van dit proces voor het bredere publiek ten goede komt.

De tenlasteleggingen zijn in de vier zaken hetzelfde. Zoals wij in ons openingswoord hebben gezegd, verwijt het Openbaar Ministerie de verdachten Girkin, Dubinskiy, Pulatov en Kharchenko dat zij samen een sturende, organiserende en ondersteunende rol hebben gespeeld bij de inzet van de Buk-TELAR die MH17 neerschoot. Girkin en Dubinskiy stonden aan de top van de gewapende groep DPR. Pulatov en Kharchenko waren hun directe ondergeschikten. Volgens de tenlastelegging hebben zij samen de Buk-TELAR aangevraagd en overgenomen uit de Russische Federatie en ingezet voor hun gewapende strijd, met het doel om een vliegtuig neer te schieten. Zij hebben de TELAR als instrument gebruikt om hun gezamenlijke doel in de gewapende strijd te bereiken.

Op 10 maart jl. hebben wij al kort benoemd waarop wij dit baseren. Uit afgeluisterde gesprekken blijkt hoe hard zij een Buk nodig hadden voor hun strijd, zij stuurden anderen aan bij de aanvoer, zij dirigeerden de Buk-TELAR naar de afvuurlocatie, zij voerden na de crash gesprekken over de vraag of ‘hun’ Buk zijn werk had gedaan, zij bespraken opgetogen dat er een vliegtuig was neergeschoten en zij organiseerden ook weer de afvoer van de Buk-TELAR naar de Russische Federatie.

In de tenlastelegging staat niet dat de verdachten zelf op de knop hebben gedrukt, een doelwit hebben aangewezen of de bemanning van de TELAR opdracht hebben gegeven om te vuren. Zij worden niet vervolgd als de feitelijke uitvoerders van het afvuurproces. Er is daarom ook geen bewijs nodig over de precieze gang van zaken tijdens het afvuurproces om te kunnen oordelen over het verwijt tegen deze vier verdachten.

In het strafrecht worden regelmatig verdachten berecht en ook veroordeeld voor levensdelicten, zonder dat de wijze van uitvoering van het misdrijf is komen vast te staan.[1] Hoe een wapen precies is gebruikt, doet zeker bij planmatige misdrijven voor de beoordeling van de tenlastelegging niet ter zake. Zolang maar kan worden vastgesteld dát opzettelijk de dood is veroorzaakt en dát de verdachte daarbij een strafbare rol heeft gespeeld. In dit strafproces is het gebruikte wapen groter dan in veel andere strafzaken en ook het aantal slachtoffers is groter, maar de vragen voor een bewezenverklaring zijn hetzelfde. Hadden de verdachten opzet op het misdrijf in de tenlastelegging, is het misdrijf gevolgd en hebben de verdachten daar een strafbare bijdrage aan geleverd? Zo ja, dan kunnen de ten laste gelegde feiten bewezen worden, ongeacht de wijze waarop dat misdrijf nu precies is uitgevoerd. Voldoende is dat bewijs bestaat voor het opzet van de verdachten en de bijdrage die zij aan het misdrijf hebben geleverd.

Het onderzoek heeft tot op heden geen uitsluitsel kunnen geven over de concrete aanleiding om MH17 neer te schieten. Het onderzoek naar de algemene werking van een Buk-TELAR heeft wel informatie opgeleverd over de noodzakelijke stappen van het afvuurproces en de (mogelijk) beschikbare instrumenten om een doelwit te identificeren, maar daarmee weten we nog niet hoe de bemanning feitelijk te werk is gegaan.

Voor het bewijs van de feiten die aan deze vier verdachten ten laste worden gelegd hoeft de concrete aanleiding voor het vuren en de precieze gang van zaken bij het afvuren van de raket niet vastgesteld te worden. Daarom was er ook geen reden om het lopende onderzoek naar de bemanning van de TELAR en de verantwoordelijken in de bevelslijn in de Russische Federatie af te wachten. Wat het OM betreft, is het onderzoek naar de toedracht van het neerschieten van vlucht MH17 - en de rol van verdachten daarbij - voldoende geweest om uw rechtbank in deze vier strafzaken, op basis van deze tenlasteleggingen, beslissingen te laten nemen.

Vergissingsscenario

Dat de raket die MH17 trof mogelijk bedoeld was voor een militair vliegtuig maakt dit niet anders.

Geen van de feiten op de tenlastelegging vereist opzet op het burgerkarakter van het vliegtuig of de inzittenden. De ten laste gelegde misdrijven verbieden het neerhalen van enig luchtvaartuig (artikel 168 Sr) en het doden van een ander (artikel 287 en 289 Sr), ongeacht de civiele of militaire status van dat luchtvaartuig of die ander. Een vergissing in doel maakt geen verschil voor het bewijs dat zulke misdrijven zijn gepleegd.

Er is dus geen bewijs nodig dat de verdachten de bedoeling hadden dat er met hun TELAR een burgervliegtuig zou worden neergeschoten. Zoals wij al eerder hebben aangegeven, bevat het dossier verschillende aanwijzingen dat zij juist de bedoeling hadden om een militair vliegtuig van de Oekraïense luchtmacht neer te laten schieten. Dat kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit tapgesprekken die de verdachten na het neerschieten van MH17 hebben gevoerd.

Bij het opstellen van de tenlastelegging hebben wij uitdrukkelijk rekening gehouden met dit vergissingscenario. Wie erop uit is om een militair vliegtuig neer te schieten en vervolgens bij vergissing een burgerdoel treft, maakt zich schuldig aan het doen verongelukken van dat vliegtuig (artikel 168 Sr) en de moord op de inzittenden (artikel 289 Sr). Wij hebben kennis genomen van academisch commentaar waarin wordt gesuggereerd dat art. 168 Sr opzet op het doden van burgers zou vereisen.[2] Die suggestie is onjuist. Art. 168 Sr vereist niet eens enig opzet op de dood van inzittenden, laat staan specifiek op de dood van een bepaalde categorie inzittenden. In art. 168 Sr is het opzettelijk doen verongelukken van enig luchtvaartuig strafbaar gesteld, zonder dat onderscheid wordt gemaakt naar de aard van dat luchtvaartuig. De dood van de inzittenden is hierbij aangemerkt als een strafverzwarend gevolg, niet als een constitutief bestanddeel van het misdrijf. Dat heeft de wetgever zo gedaan voor alle gevaarzettingsdelicten in titel VII van Boek 2, waar art. 168 Sr is opgenomen.[3] Daarom hoeft alleen bewezen te worden dat de verdachten opzet hadden op het doen verongelukken van een vliegtuig, en niet op het doden van de inzittenden.[4]

De misdrijven moord en doodslag vereisen natuurlijk wel opzet op de dood van een ander, maar niet op een bepaalde categorie of een specifiek aantal slachtoffers. Daarom worden in Nederland en vele andere landen mensen voor moord veroordeeld als zij bij vergissing toevallige voorbijgangers doodschieten, in plaats van hun beoogde slachtoffer. Het opzet bij levensdelicten en ook de voorbedachte raad bij moord is gericht op het doden van een ander, niet op de identiteit van de slachtoffers. Daarom is het ook mogelijk veroordeeld te worden voor de moord op een willekeurig slachtoffer.[5]

Of er wel of niet sprake is geweest van een vergissing bij het neerschieten van MH17 maakt dus voor de bewijsvraag in dit proces niet uit.

Bij onze toelichting op het onderzoek naar eventuele combattantenimmuniteit hebben wij al uitgelegd dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachten aangemerkt kunnen worden als leden van de strijdkrachten. Ook hebben wij toegelicht dat combattantenimmuniteit een strikt persoonlijke vervolgingsuitsluitingsgrond is. Omdat de verdachten klaarblijkelijk geen combattanten waren en zij dus geen enkel vliegtuig mochten neerschieten - burger- of militair - is ook voor de immuniteitsvraag niet relevant wat het beoogde doel was.

Of de verdachten het neerschieten van een militair vliegtuig of een burgervliegtuig tot doel hadden kan wel relevant zijn voor de strafmaat. Maar daarbij is toch vooral de vraag wat de verdachten zelf wisten, wilden en deden. De vraag wat andere betrokkenen deden tijdens het afvuurproces is hiervoor niet van belang. Het beschikbare bewijs over hetgeen de vier verdachten wisten, wilden en deden is in het dossier gevoegd. Als de verdachten dat willen aanvullen, hebben zij daarvoor nu nog de gelegenheid. Zij zijn bij uitstek degenen die over die informatie beschikken.

Natuurlijk is het - breder bekeken dan alleen dit proces tegen deze vier verdachten – wenselijk dat meer duidelijkheid komt over hetgeen er voor en tijdens het neerschieten van MH17 is gebeurd. Dat is belangrijk voor de nabestaanden en ook om lessen te kunnen trekken voor de toekomst. Het onderzoek van het JIT gaat mede daarom ook nog door. Dit proces gaat echter alleen over de tenlasteleggingen tegen deze vier verdachten. Waarheidsvinding is van groot belang in deze zaak, maar de kaders voor die waarheidsvinding hier ter zitting worden bepaald door de tenlasteleggingen. Vragen die daar buiten vallen, worden buiten dit proces onderzocht.

Andere betrokkenen

Uit het dossier blijkt dat ook anderen dan de vier verdachten in dit proces een rol hebben gespeeld bij het neerschieten van MH17. In de eerste plaats natuurlijk de bemanning van de TELAR, maar aannemelijkerwijs ook verantwoordelijken in de bevelslijn in de Russische Federatie. Het JIT doet nog onderzoek naar zulke anderen. We hebben eerder al gezegd dat we relevante resultaten van dat onderzoek aan het dossier in dit proces zullen toevoegen als die gevonden worden. Relevant is in ieder geval: bewijs dat een ander licht kan werpen op de zaak dan de informatie in het dossier en bewijs dat ten voordeel kan strekken van de verdachten. Voor belastend bewijs moet de beoordeling steeds kritischer worden naarmate dit proces vordert. Hoe dichter we bij de inhoudelijke behandeling komen, hoe scherper gekeken moet worden naar de meerwaarde van aanvullend belastend bewijs om dat als relevant aan te merken en nog aan het dossier toe te voegen. Aanvullend bewijs over de afvoerroute en herkomst van de gebruikte Buk-TELAR zal in de komende fase van het strafproces minder snel als relevant worden aangemerkt dan aanvullend bewijs over de rollen van de vier verdachten. Nog meer gelijksoortige getuigenverklaringen over de route die de Buk-TELAR heeft afgelegd, bijvoorbeeld, zijn niet relevant genoeg om kort voor een inhoudelijke behandeling aan het dossier toe te voegen.

Op de tenlastelegging zijn verschillende deelnemingsvormen opgenomen: medeplegen in functionele vorm, het ‘gewone’ medeplegen, het medeplegen van uitlokking en het medeplegen van medeplichtigheid. Voor geen van die deelnemingsvormen is bewijs noodzakelijk over de identiteit van andere betrokkenen. Een verdachte kan veroordeeld worden voor medeplegen zonder dat de identiteit van andere medeplegers bekend is.[6] Een verdachte kan veroordeeld worden voor uitlokking zonder zelf te weten wie er uiteindelijk is overgehaald om het beoogde misdrijf te plegen.[7] Een verdachte kan ook veroordeeld worden voor medeplichtigheid terwijl de identiteit van de feitelijke uitvoerder die hij heeft ondersteund onbekend is.[8] De tenlasteleggingen vereisen dus geen bewijs van de identiteit van de bemanning van de Buk-TELAR, de mogelijke verantwoordelijken in de bevelslijn in de Russische Federatie of andere deelnemers. Evenmin vragen de tenlasteleggingen bewijs van kennis van die identiteit bij verdachten. Weliswaar biedt de tenlastelegging ten aanzien van het medeplegen van de uitlokking de mogelijkheid van een bewezenverklaring dat die uitlokking ook in de Russische Federatie is gepleegd,[9] maar dat vereist geen bewijs over de personen die daarbij in de Russische Federatie betrokken zijn geweest. Voor het bewijs dat die uitlokking ook vanuit de Russische Federatie is gepleegd is voldoende dat kan worden vastgesteld dat verdachten met één of meer onbekend gebleven personen in de Russische Federatie moeten hebben samengewerkt om de bemanning van de TELAR ertoe te brengen om een vliegtuig neer te schieten. Ook zonder bewijs voor persoonlijk contact met de bemanning en hun directe superieuren kan dus geconcludeerd worden dat de verdachten strafbaar gehandeld hebben door hun bemoeienis met de Buk-TELAR.

Conclusie bereik tenlastelegging

Om deze redenen meent het Openbaar Ministerie dat het dossier voldoende informatie biedt om te oordelen over de tenlasteleggingen tegen deze vier verdachten, ook al biedt het maar beperkt informatie over de precieze gang van zaken bij het afvuren van de raket die MH17 heeft getroffen en over de identiteit van verschillende andere betrokkenen. Zoals wij in maart al zeiden: het gebeurt in het strafrecht met grote regelmaat dat personen strafrechtelijk worden vervolgd in de wetenschap dat andere betrokkenen nog niet zijn geïdentificeerd. Bijvoorbeeld in drugszaken en andere moordonderzoeken. Zouden we dat niet doen, dan zouden de meeste misdrijven met veel betrokkenen nooit voorbij de onderzoeksfase komen en komen we aan strafrechtelijke handhaving niet meer toe. Uitgangspunt is dat vervolgd kan worden als de vragen die voor die vervolging relevant zijn beantwoord kunnen worden. Hier is dat het geval.

Nader onderzoek

Bij de bespreking van het forensisch onderzoek en het onderzoek naar de context, de alternatieve scenario’s, de herkomst van de TELAR en de werking van het wapen hebben wij al aangegeven waarom wij menen dat dit onderzoek volledig is.

Eerdere vorderingen

Wel hebben wij nog een schouw gevorderd van de reconstructie van MH17. In onze brief van 27 mei jl. hebben wij nader toegelicht waarom wij denken dat een schouw een duidelijke meerwaarde heeft bij de beoordeling van het (forensisch) dossier. Wij menen dat zaken als het verschil tussen de schade aan de linker- en rechterzijde van het vliegtuig, de (locatie van de waargenomen) beroeting, en de concentratie van de inslagschade in het echt beter zichtbaar zullen zijn dan op papier of in een 3D-scan.

Verder hebben wij nog op enkele andere punten nader onderzoek gevorderd. In het licht van recente Russische beweringen van manipulatie zagen wij aanleiding voor nader onderzoek naar de video van een TELAR in Snizhne. Daarnaast hebben wij nog nadere vragen aan enkele getuigen op de aan- en afvoerroute en de lanceerlocatie. Daarom hebben wij in maart jl. gevorderd om M58, S07, S17, S21, S27 en S32 nader te horen.

Al deze vorderingen, die wij op de zitting in maart hebben gedaan en toegelicht, handhaven wij. Zoals in maart toegelicht doen wij deze vorderingen alleen in de zaak Pulatov en menen wij dat de gevorderde onderzoekshandelingen niet ambtshalve in de zaken van de andere drie verdachten toegewezen zouden moeten worden.

Aanvullende vordering: verhoor X48

Omdat de raadkamer op 10 maart nog niet had beslist op het beroep van Pulatov tegen de beschikking van de rechter-commissaris om een aantal getuigen de status van bedreigd anonieme getuigen te verlenen, konden wij ons toen nog niet uitlaten over een eventueel nader verhoor van deze getuigen. Inmiddels kunnen wij dat wel. Eén van die getuigen is X48. De enige aanvullende vordering die het Openbaar Ministerie vandaag doet, is een verwijzing naar de rechter-commissaris voor het horen van ook de getuige X48 op een door de rechter-commissaris te bepalen veilige wijze.

X48 was net als M58 aanwezig op de afvuurlocatie. Kort gezegd verklaart deze getuige dat hij[10] op 17 juli 2014 in de middag, in de buurt van een blokkade van de zelfverklaarde DPR op de weg van Snizhne naar Saur-Mogila, een Buk zag rijden en minuten later hoorde en zag dat er een raket werd gelanceerd. X48 zag dat het veld in brand raakte en wijst aan waar de raket werd gelanceerd. Dat is dezelfde locatie als in het onderzoek naar satellietbeelden naar voren is gekomen. X48 verklaart dat de Buk na de lancering van de raket naar de weg reed en ook dat er vier soldaten waren in een gelijk uniform. Het uniform was in de kleur khaki, met een helm met van die oren er aan. Deze soldaten zagen er anders uit dan die bij de blokkadepost.

Deze getuige is buiten aanwezigheid van het OM door de rechter-commissaris gehoord in 2016. Het OM is wel in de gelegenheid gesteld om enkele schriftelijke vragen in te dienen. Een verdediging was toen nog niet bekend.

De verklaring van X48 is duidelijk en naar het oordeel van de rechter-commissaris betrouwbaar. Wel ziet het OM nog reden voor nadere vragen, in ieder geval over de vier soldaten met dezelfde, afwijkende uniformen en tankcaps. Uit de verklaring blijkt niet of de getuige deze vier soldaten heeft gezien in of bij de Buk-TELAR. Ook blijkt niet of de getuige deze vier soldaten voor of na het afvuren van de raket heeft gezien, of beide, en of de getuige heeft gezien wat er met deze vier personen met tankcaps is gebeurd na het afvuren. Voor een goede beoordeling van de verklaring van X48 vindt het OM het nodig op dit punt nadere vragen te stellen.

Wij zijn ons er van bewust dat de getuige in zijn eerdere verhoor bij de rechter-commissaris meer vragen heeft beantwoord dan in het proces-verbaal zijn opgenomen, omdat sommige antwoorden niet zijn opgenomen ter bescherming van de identiteit van de getuige. Wij beseffen dat ook in een vervolgverhoor bepaalde antwoorden van de getuige mogelijk niet kunnen worden geverbaliseerd, omdat daardoor zijn veiligheid in het geding zou komen. Indien de rechter-commissaris vooraf vaststelt dat opgegeven vragen hetzij al beantwoord zijn maar niet geverbaliseerd, hetzij naar het oordeel van de rechter-commissaris niet gesteld en beantwoord kunnen worden zonder de veiligheid van de getuige in gevaar te brengen, kan dat reden zijn voor het OM om deze vragen in te trekken of van het verhoor af te zien. Wij willen de getuige niet onnodig belasten. Net als bij M58 gaan wij er verder vanuit dat X48 vanwege zijn veiligheid niet op zitting kan worden gehoord. Zoals wij eerder bij M58 aangaven, brengen de publieke bekendmaking van een tijd en plaats van verhoor en daarmee samenhangende reisbewegingen onevenredig grote risico’s mee.

Geen nadere vordering tot verhoor V11

Wij hebben ons afgevraagd of we na de beschikking van de raadkamer een vordering zouden moeten doen om getuige V11 opnieuw te laten horen als bedreigde anonieme getuige door de rechter-commissaris. Wij zien daar geen noodzaak voor. Getuige V11 is één van een groter aantal getuigen dat verklaart over de route van de Buk-TELAR. Voor die route bestaat ook veel ander bewijs, in het bijzonder beeldmateriaal, een satellietfoto en telecomgegevens. Als de verdediging V11 wil horen als getuige staat het haar uiteraard vrij om daartoe tijdig een verzoek te doen. Het Openbaar Ministerie ziet hier echter ook na de beschikking van de raadkamer geen reden voor.

Samenvatting vorderingen nader onderzoek

In de zaak van Pulatov vorderen wij ex artikel 328 Sv:

- de verplaatsing van de zitting naar de luchtmachtbasis in Gilze-Rijen voor een schouw van de reconstructie van vlucht MH17 op een nader door uw rechtbank te bepalen moment;

- verwijzing naar de rechter-commissaris voor:

  • het horen van de getuigen X48, M58, S07, S17, S21, S27 en S32 op een door de rechter-commissaris te bepalen veilige wijze;
  • de samenstelling van een video-opname van het eerdere verhoor van M58 na gelegenheid voor verdediging en Openbaar Ministerie om zich uit te laten over de gewenste inhoud van die samenstelling;
  • opdracht aan een deskundige tot onderzoek naar:
    • mogelijke aanwijzingen voor beeldmanipulatie van de twee in het dossier opgenomen versies van dezelfde video van de TELAR in Snizhne, mede in het licht van de stellingen van de Russische Federatie,
    • de stelling dat de door de Russische Federatie genoemde versie van diezelfde video al op 16 juli 2014 moet zijn geüpload en dus daarvoor moet zijn opgenomen.

Processtukken V11

Dan komen wij bij het onderwerp van enkele processtukken van getuige V11. Uw rechtbank heeft dit onderwerp op 8 juni jl. al genoemd. Het ligt nog op de weg van het Openbaar Ministerie om hier een definitief standpunt over te formuleren. Dat standpunt vraagt wat ons betreft om een langere toelichting.

Inleiding

Getuige V11 heeft meerdere verklaringen afgelegd tegenover de politie in de periode vanaf 2014 tot en met 2017. Daarna is hij[10] in 2018 door de rechter-commissaris gehoord in de zaak tegen een NN-verdachte. Ten behoeve van de voortgang van het onderzoek is zijn verklaring daarna aan het Openbaar Ministerie (OM) verstrekt en later in het procesdossier gevoegd.

Bij beschikking van 23 april 2020 heeft de raadkamer in de beroepsprocedure van Pulatov de beschikking ex artikel 226a Sv van de rechter-commissaris van 5 juli 2018 inzake getuige V11 vernietigd en de vordering van de officier van justitie van 28 mei 2018 tot verlening van de status van bedreigde getuige aan getuige V11 afgewezen. De reden voor die vernietiging is dat Pulatov niet is gehoord over de statusverlening aan V11, terwijl hij al wel als verdachte was aangemerkt toen die statusverlening plaatsvond. Het Openbaar Ministerie heeft geen recht van beroep of cassatie tegen deze beschikking van de raadkamer.

De beschikking van de raadkamer roept de vraag op wat nu moet gebeuren met het proces-verbaal van het verhoor van V11 door de rechter-commissaris en met het daarmee samenhangende proces-verbaal ex artikel 226e Sv (proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen houdende onderzoek naar de betrouwbaarheid verklaring V11) van 20 februari 2019. Beide stukken bevinden zich in het procesdossier.

De wet schrijft voor dat de rechter-commissaris het proces-verbaal van het verhoor van een 226a-getuige vernietigt als na dat verhoor het beroep tegen de statusverlening gegrond wordt verklaard.[11] Dat voorschrift ziet echter op een proces-verbaal dat de rechter-commissaris onder zich houdt totdat op het hoger beroep is beslist, niet op een proces-verbaal dat reeds aan het Openbaar Ministerie is verstrekt en aan het procesdossier is toegevoegd.[12]

In een brief van 29 april 2020 heeft het Openbaar Ministerie er op gewezen dat het de vraag is of de wet het toelaat dat het RC-verhoor van V11 nu uit het procesdossier wordt verwijderd. Ook heeft het Openbaar Ministerie er daarbij op gewezen dat het de vraag is of dit wenselijk is als de verdediging later nog verweer wil voeren met betrekking tot de gang van zaken inzake getuige V11, omdat dit alleen effectief kan als de rechter die dat verweer moet beoordelen ook kennis kan nemen van de daarvoor relevante stukken:

“In de tweede plaats vraagt het OM zich af of verwijdering van het proces-verbaal van het RC-verhoor van V11 uit het dossier en de daaropvolgende vernietiging nog wel mogelijk en - gelet op het verdedigingsbelang – wenselijk is.

Wat de wenselijkheid betreft, merkt het OM enerzijds op dat de verdediging zelf om die verwijdering en vernietiging heeft verzocht.[13] Anderzijds stelt de verdediging dat Pulatov door de voeging van de RC-verklaring reeds in zijn belang is geschonden, omdat de zittingsrechter hiervan al kennis heeft genomen en de inhoud daarvan niet meer uit zijn geheugen zou kunnen worden gewist.[14] Indien de verdediging later op dit (of een soortgelijk) punt verweer zou willen voeren, zou zij hierin kunnen worden belemmerd wanneer deze verklaring alsnog uit het dossier zou zijn verwijderd en vernietigd. In dat geval zou de verdediging immers niet concreet kunnen maken welk nadeel verdachte zou kunnen hebben ondervonden van de kennis van deze verklaring bij de rechtbank (of het OM). Ook kunnen het OM, de rechtbank en - na eventueel beroep - het gerechtshof en de Hoge Raad dit verweer niet adequaat beoordelen zonder kennisname van het betreffende stuk. Tegen die achtergrond zou de verdediging dus juist gebaat kunnen zijn met de aanwezigheid van dit proces-verbaal in het dossier: die kenbaarheid is mogelijk een noodzakelijke voorwaarde voor een nog te voeren verweer. In dat geval zou dit proces-verbaal niet uit het dossier mogen worden verwijderd en vernietigd, maar dient te worden volstaan met bewijsuitsluiting.

Knigge stelt hierover:

‘Bewijsuitsluiting die de vorm aanneemt van vernietiging van de desbetreffende gegevens, past al helemaal niet in ons stelsel van strafvordering. Gegevens die in het procesdossier zijn beland, blijven daarin zitten, ook als zij niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Ik wijs bijvoorbeeld op HR 2 oktober 2007, LJN BA5632, NJ 2008/374, waarin het ging om gesprekken die de verdachte met de dokterstelefoon voerde. De Hoge Raad oordeelde dat die gesprekken op geen enkele wijze een rol mochten spelen in de bewijsvoering, maar gaf de inhoud van die gesprekken in zijn arrest wel integraal weer. Men kan zich afvragen of het anders had gekund. De vernietiging of verwijdering van gegevens uit het dossier zal gemotiveerd moeten worden. Daarvoor is nodig dat men weet waarover het gaat. Daar komt bij dat verwijdering van de gegevens uit het dossier tot grote schimmigheid leidt, zeker als alle procesdeelnemers daarvan al hebben kennis genomen. Kan de beklagrechter de verdachte of zijn raadsman gelasten de reeds verstrekte kopieën van de processtukken te versnipperen en de gemaakte aantekeningen te verbranden? Kan de beklagrechter de raadsman verbieden om op de vernietigde gegevens een beroep te doen?

Vernietiging van gegevens uit het dossier raakt, zo blijkt al uit het voorgaande, aan de transparantie van het strafproces. Het gaat bij die transparantie niet alleen om gegevens die een rol (kunnen) spelen in de bewijsvoering. Van elk gegeven dat op de een of andere manier van invloed is geweest op de loop van het strafproces - waartoe ook het vooronderzoek moet worden gerekend - dienen de rechter en de verdediging in beginsel kennis te kunnen nemen. Men denke bijvoorbeeld aan een onrechtmatig verkregen gegeven dat enkel een rol heeft gespeeld bij de beslissing om tot aanhouding van de verdachte over te gaan. De verwijdering van dat gegeven uit het dossier verdraagt zich niet met de vereiste transparantie. In het verlengde daarvan ligt dat de beklagrechter het OM ook niet kan verbieden om gegevens die nog geen deel uitmaken van de gedingstukken, daaraan toe te voegen als die gegevens een rol hebben gespeeld in het vooronderzoek. Dergelijke gegevens horen immers kenbaar te zijn.’[15]

In belang van de transparantie van het strafproces lijkt het dus noodzakelijk om de verdediging vooraf in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over de voorkeur voor (a) handhaving van haar eerdere verzoek tot verwijdering en vernietiging van de RC-verklaring van V11 of (b) bewijsuitsluiting in verband met een nog te voeren verweer over eerdere kennisneming van die verklaring. In lijn met artikel 226b lid 3 Sv zou het inwinnen van dit standpunt in een proces-verbaal kunnen worden vastgelegd.

Wat de mogelijkheid van vernietiging van deze verklaring betreft, in voorgenoemde zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de zittingsrechter niet bevoegd is om stukken uit het dossier te verwijderen:

‘Voorts kent de wet geen bepaling die de zittingsrechter bevoegd verklaart om bewijsmateriaal dat naar zijn oordeel onrechtmatig is verkregen alsnog uit het dossier te doen verwijderen.’[16]

Daaruit zou ook een strafvorderlijke beperking kunnen worden afgeleid voor de vernietiging van de RC-verklaring van V11. Hiervoor bestaat weliswaar een wettelijk gebod aan het adres van de RC, maar dat gebod is gebaseerd op de veronderstelling van de wetgever dat het betreffende stuk door die vernietiging buiten het dossier zal blijven. Dat is in dit geval niet meer mogelijk. Bovendien staat dit gebod op gespannen voet met de noodzakelijke transparantie van het strafproces. Anderzijds zou artikel 226b lid 3 Sv als de uitzondering op die transparantieregel kunnen worden aangemerkt (Knigge spreekt over ‘in beginsel kennis nemen’) en zou de strafvorderlijke taakverdeling tussen de rechter-commissaris en de zittingsrechter in dit geval in een buitenwettelijke verwijderingsbevoegdheid van de zittingsrechter kunnen voorzien. Er zijn dus verschillende lezingen mogelijk waar het gaat om de vraag of de wet het toelaat dat het RC-verhoor van V11 nu uit het procesdossier wordt verwijderd.”

Wij hebben kennis genomen van het standpunt van de verdediging van 8 mei jl. hierover en van de conclusie van de rechter-commissaris van 12 mei jl. dat het aan de zittingsrechter is om te beoordelen welke rechtsgevolgen moeten worden verbonden aan de beslissing van de raadkamer van 23 april 2020. Het is nu dus aan uw rechtbank om te beslissen of stukken met betrekking tot getuige V11 wel of niet uit het dossier verwijderd moeten worden. Indien u de stukken niet uit het dossier laat verwijderen zult u ook, nu of op een later moment, moeten beslissen of de stukken dan uitgesloten moeten worden van het bewijs in een of meer zaken.

De zaak van Pulatov

Naar oordeel van het OM voorziet de wet niet in de mogelijkheid van verwijdering van de RC-verklaring van V11 uit het procesdossier. De redenen daarvoor hebben wij beschreven in onze brief van 29 april 2020. Hoewel verschillende redeneringen mogelijk zijn, denken wij met Knigge dat fysieke verwijdering van dit soort stukken uit het procesdossier niet in ons strafvorderlijk systeem past. In de zaak van Pulatov moet de beslissing van de raadkamer ons inziens daarom leiden tot bewijsuitsluiting van zowel de verklaring die getuige V11 in 2018 heeft afgelegd tegenover de rechter-commissaris als het proces-verbaal ex artikel 226e Sv van 20 februari 2019.

De zaken van Girkin, Dubinskiy en Kharchenko

In de zaken van Girkin, Dubinskiy en Kharchenko ligt de situatie om verschillende redenen anders. Omdat er in die zaken geen beroep is ingesteld tegen de beschikkingen van de rechter-commissaris heeft de raadkamer geen beslissingen genomen in die zaken. Het is wettelijk niet mogelijk en op inhoudelijke gronden ook niet logisch om de beschikking van de raadkamer naar analogie één op één toe te passen op de andere drie zaken. Uw rechtbank zal zelfstandig moeten beoordelen of de RC-stukken ten aanzien van V11 in de andere drie zaken wel of niet (a) in het dossier kunnen blijven en (b) kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Ten behoeve van dat oordeel zullen wij nu een standpunt formuleren en daarbij uitleggen dat aan de redenering van de raadkamer met betrekking tot V11 ons inziens gebreken kleven. Met die uitleg willen wij niets afdoen aan de rechtskracht van de beschikking van de raadkamer in de zaak Pulatov. Wij ontkomen in dit proces echter niet aan de vraag of u als zittingsrechter soortgelijke conclusies ook in de zaken van de andere drie verdachten moet trekken. In het formuleren van een standpunt daarover ontkomen wij niet aan de uitleg waarom wij denken dat de beschikking van de raadkamer ten aanzien van V11 op onderdelen niet begrijpelijk is.

Ons standpunt dat de wet geen mogelijkheid biedt om de stukken van V11 te verwijderen uit het procesdossier geldt ook in de andere zaken. Daarentegen zien wij in de andere drie zaken geen grond voor bewijsuitsluiting. Hiervoor zijn twee redenen.

In de eerste plaats is het de vraag of de statusverlening ten aanzien van V11 inderdaad, zoals de raadkamer in de zaak Pulatov heeft aangenomen, door het Openbaar Ministerie gevorderd had moeten worden niet (alleen) in een NN-onderzoek maar ook) in de zaak van Pulatov. De raadkamer concludeert:

“Ten tijde van de beslissing van de rechter-commissaris op de vordering inzake getuige V11 op 5 juli 2018 was appellant dus wél als verdachte in beeld. Dat, zoals de officier van justitie heeft betoogd, toen nog geen vervolgingsbeslissing was genomen met betrekking tot appellant, doet daaraan niet af. Dat betekent dat de officier van justitie een vordering op naam van appellant inzake V11 had kunnen en moeten indienen.”[17]

De raadkamer legt echter niet uit waarom dat zo is. Tijdens de behandeling in raadkamer hebben wij toegelicht dat dit niet vanzelfsprekend is. De wet kent geen voorschriften over de kring van verdachten in wiens zaken 226a-vorderingen gedaan moeten worden. In raadkamer hebben wij hier het volgende over gezegd:

“De verdediging stelt dat de vorderingen voor X48 en V11 ten onrechte zijn gedaan in een onderzoek tegen NN, omdat Pulatov op dat moment al als verdachte in beeld was. Als gevolg daarvan zou Pulatov benadeeld zijn omdat hij niet op de vordering is gehoord en ook anderszins niet in de procedure is betrokken.

Het OM stelt zich op het standpunt dat de vorderingen in het onderzoek naar een NN-verdachte konden worden gedaan en toegewezen. In de eerste plaats is van belang dat Pulatov bepaald niet de enige verdachte is in dit onderzoek en dat X48 noch V11 verklaart over Pulatov.

In de tweede plaats is de vordering 226a Sv voor getuige X48 gedaan in de zaak tegen NN als verdachte op 15 januari 2016, en is op diezelfde datum de beslissing genomen waarbij de rechter-commissaris X48 de status van bedreigde anonieme getuige heeft verleend. Op 25 oktober 2016 is een proces-verbaal opgemaakt waarin feiten en omstandigheden zijn gerelateerd die leidden tot het aanmerken van Pulatov als verdachte. Dat is dus ruim na het indienen van de vordering met betrekking tot X48. Ten aanzien van getuige X48 mist het bezwaar van de verdediging dus feitelijke grondslag.

De vordering voor getuige V11 is ruim na het aanmerken van Pulatov als verdachte gedaan, te weten op 28 mei 2018. De beschikking waarin de status als bedreigd anonieme getuige aan V11 is verleend dateert van 5 juli 2018. Op dat moment was echter nog geen vervolgingsbeslissing genomen (of op korte termijn te voorzien) in de zaak van verdachte Pulatov, zodat er geen praktisch belang was om de statusverlening van deze getuige, die niet over Pulatov verklaart, in zijn zaak te vorderen.

Daarbij is het goed om te beseffen dat het onderzoek naar het neerstorten van MH17 niet alleen gericht was op Pulatov en de drie medeverdachten, maar ook op de oorzaak van de ramp en de betrokkenheid van andere personen. Daarbij werden verschillende scenario’s onderzocht, waaronder een aanval met een Oekraïens gevechtsvliegtuig en het afvuren van een Buk-raket vanuit verschillend gebied, onder controle van Oekraïne of de DPR. Getuige X48 gaf steun aan dat laatste scenario. Pas op 28 september 2016 heeft het Joint Investigation Team (hierna: JIT) (publiekelijk) geconcludeerd dat MH17 is neergeschoten met een Buk-raket vanuit gebied onder controle van de DPR. Vervolgens werd het onderzoek naar het gebruikte wapen voortgezet. Op 24 mei 2018 heeft het JIT (publiekelijk) geconcludeerd dat er voldoende bewijs was dat MH17 was neergeschoten met een zogenaamde Buk TELAR die afkomstig was van de 53ste Anti Aircraft Missile Brigade van de Russische krijgsmacht. Bij deze gang van zaken kwamen een groot aantal personen in beeld. Aan de kant van de DPR ging het om tientallen personen die een rol hadden gespeeld bij het vervoeren en bewaken van de Buk-TELAR. Pas in de loop van 2019 is besloten welke daarvan in Nederland vervolgd zouden worden. Ook daarna werd het onderzoek naar andere betrokkenen voortgezet. Tot de vervolgingsbeslissing op 19 juni 2019 was niemand van hen ermee bekend dat zij onderwerp waren van onderzoek. Alle verdachten verbleven (en verblijven) buiten Nederland.

Onder deze omstandigheden zouden afzonderlijke 226a-vorderingen in de zaken van alle mogelijke verdachten tot een complexe en onnodige samenloop van verschillende betekeningen en 226a Sv procedures hebben geleid. Terwijl X48 en V11 niet over individuele verdachten verklaarden. Indien later besloten zou worden om bepaalde verdachten te vervolgen, zouden die verdachten hier vervolgens alsnog over gehoord kunnen worden. Om die reden zijn deze twee eerste 226a Sv vorderingen gedaan in de zaak van een NN verdachte.

Het OM en de rechter-commissaris hadden dus goede gronden voor de gevolgde procedure  en hebben niet beoogd om Pulatov in enig processueel belang te schaden. Integendeel, de rechter-commissaris heeft Pulatov in de gelegenheid gesteld zich alsnog uit te laten over de statusverlening, maar zoals eerder opgemerkt heeft Pulatov daarvan geen gebruik gemaakt.

De wet kent ook geen verplichting om 226a Sv vorderingen in een onderzoek te doen op naam van alle mogelijke verdachten. De wet schrijft enkel voor dat een verdachte, voor zover hij daar vanwege een (dreigende) vervolging een rechtens te respecteren belang bij heeft, op gehoord wordt. Zouden er vorderingen moeten worden gedaan in de zaak van elke in het buitenland verblijvende verdachte zonder bekende advocaat, dan zou het verdere verloop van die 226a Sv procedures complex en onzeker worden door betekeningsperikelen en de mogelijkheid van een uiteenlopend procedureel verloop voor verschillende verdachten met betrekking tot dezelfde getuige.

De verdediging leunt zwaar op een enkele uitspraak van de rechtbank Maastricht voor de vormgeving van deze grief. Die uitspraak is echter niet representatief voor de jurisprudentie als geheel en stelt een eis die de wet niet kent. Noch artikel 226a Sv noch artikel 226b Sv stelt de eis dat een statusbeschikking gegeven moet zijn op naam van de verdachte, om die verdachte toegang te geven tot hoger beroep tegen de statusbeschikking. Het oordeel van de rechtbank Maastricht in 2008 dat een verdachte alleen beroep kan instellen tegen een statusbeschikking als die op zijn naam is genomen is in de opvatting van het OM onjuist. Met die conclusie leest de rechtbank Maastricht teveel in een korte passage uit de wetsgeschiedenis die alleen betrekking heeft op een (fase in een) onderzoek waarin feitelijk nog geen enkele verdachte bij naam bekend is. Die passage kan niet één op één worden toegepast op onderzoeken waarin meerdere verdachten voorkomen waarvan sommigen al wel geïdentificeerd zijn, maar anderen nog niet. Daarbij hoort de rechter overigens terughoudend te zijn met het destilleren van aanvullende eisen en voorwaarden uit de wetsgeschiedenis. Als de wetgever een dergelijke belangrijke procedurele eis in de 226a Sv procedure had willen stellen, had zij dat in de wetstekst kunnen (en moeten) opnemen. Dat is niet gebeurd.”[18]

Omdat de raadkamer hier niet op heeft gerespondeerd, weten wij niet op welke grond de raadkamer tot de conclusie is gekomen dat de vordering inzake V11 ingediend had moeten worden op naam van Pulatov. Wij zien twee mogelijke redeneringen. De eerste is dat vorderingen 226a Sv altijd ingediend zouden moeten worden tegen alle bekende verdachten, ook in grootschalige onderzoeken met meerdere verdachten. Zoals wij in raadkamer toegelicht hebben, zien wij geen wettelijke grond voor een dergelijke eis maar wel de grote gevolgen die dit zou hebben in zaken met meerdere verdachten die ook nog in het buitenland verblijven: het zou betekenen dat het praktisch onmogelijk wordt in zulke zaken tijdig 226a-getuigen te horen.

De tweede mogelijke redenering is dat de raadkamer een bijzondere reden ziet waarom getuige V11 nu juist in de zaak van Pulatov gehoord had moeten worden. Wij kunnen alleen niet bedenken welke bijzondere reden dat zou kunnen zijn in het geval van V11. V11 is een getuige die heeft verklaard over de aanwezigheid van de Buk-TELAR in Snizhne. Hij heeft niet verklaard over een van de vier verdachten in dit proces en er was geen enkele indicatie dat hij over hen zou kunnen verklaren. Integendeel, in 2017 verklaarde hij tegenover de politie dat hij niet dacht dat hij een van de personen die hij op 17 juli 2014 in of bij de Buk-TELAR heeft gezien van een foto zou kunnen herkennen. Wij zien niet in wat in 2018 de aanleiding had moeten zijn om de statusbeschikking voor V11 juist in de zaken van deze vier verdachten te vorderen.

Als gezegd, in de zaak tegen Pulatov is dit een gepasseerd station. Maar in de zaken van Girkin, Dubinskiy en Kharchenko bevindt het RC-verhoor van V11 zich in het dossier en ligt de vraag naar de bruikbaarheid daarvan dus bij u voor. U zult daarom moeten oordelen of u vindt dat er gebreken kleven aan de gevolgde procedure of niet.

Indien uw rechtbank tot de conclusie komt dat de vordering inzake V11 in 2018 ook gedaan had moeten worden in de zaken van Girkin, Dubinskiy en Kharchenko verzoeken wij u uit te leggen waarom dat zo is en op grond van welke bronnen u concludeert dat de gevolgde procedure een wettelijk vereiste heeft geschonden.

Dat brengt ons bij de tweede reden waarom wij geen grond zien de bewijsuitsluiting in de zaak van Pulatov ook zonder meer toe te passen in de zaken van de andere drie verdachten. Zelfs als ervan zou worden uitgegaan dat de 226a Sv-beschikking ten aanzien van V11 ook op naam van Girkin, Dubinskiy en Kharchenko gevorderd had moeten worden, is het de vraag of er in hun zaken eenzelfde gebrek kan worden vastgesteld als in de zaak Pulatov. De raadkamer heeft geoordeeld dat aan de werkwijze van de rechter-commissaris geen gebrek kleeft voor zover de verdediging in staat is gesteld zich uit te laten over de statusverlening aan 226a getuigen, ook als dat achteraf is gebeurd. Alle vier de verdachten zijn hiertoe uitgenodigd door de rechter-commissaris in een brief van 7 augustus 2019. Verdachte Pulatov is de enige die op die uitnodiging heeft gereageerd. In de correspondentie die vervolgens is ontstaan tussen de rechter-commissaris en de verdediging van Pulatov is V11 niet expliciet genoemd, waarmee naar het oordeel van de raadkamer  - zo begrijpt het Openbaar Ministerie – de verdediging niet specifiek genoeg is gevraagd naar een standpunt over ook getuige V11. Dat is echter een verzuim in nader contact met een verdachte die heeft aangegeven gebruik te willen maken van zijn rechten in deze strafzaak. Voor de andere drie verdachten geldt dat duidelijk is dat zij dat niet willen. Er kan daarom niet eenzelfde verzuim worden geconstateerd in hun zaken: zij hebben simpelweg de beroepstermijn laten verlopen.

Om deze twee redenen ziet het OM geen formeel beletsel voor het gebruik van de RC-verklaring van V11 voor het bewijs in de zaken van Girkin, Dubinskiy en Kharchenko.

Conclusie

Het Openbaar Ministerie concludeert dat de wet verwijdering van de stukken met betrekking tot V11 uit het procesdossier niet toestaat, dat het verhoor bij de rechter-commissaris en het proces-verbaal ex artikel 226e Sv in de zaak van Pulatov uitgesloten moeten worden van het bewijs en dat die stukken in de zaken van de andere drie verdachten wel gebruikt mogen worden voor het bewijs.

Naast dit wettelijk perspectief is er ook een praktischer perspectief. Er is inmiddels veel ander bewijs voor het onderwerp waar V11 over heeft verklaard: de aanwezigheid van de Buk-TELAR in Snizhne. Het ligt dan ook voor de hand om in alle zaken de stukken van de rechter-commissaris met betrekking tot V11 niet voor het bewijs te gebruiken. Dat is een praktische manier om onnodige discussie te voorkomen, ook in een eventueel hoger beroep, en staat in alle vier de zaken een bewezenverklaring niet in de weg.

Vragen rechtbank

Op 8 juni jl. heeft uw rechtbank enkele aandachtspunten geformuleerd voor onze toelichting op het onderzoek. Die zullen wij nu bespreken.

U vroeg naar de stand van zaken in het opsporingsonderzoek naar andere betrokken personen. Daarvoor geldt dat ook nu geen concreet uitzicht bestaat op nieuwe vervolgingsbeslissingen. Wij blijven bezien of informatie uit dit vervolgonderzoek in het procesdossier tegen deze verdachten moet worden gevoegd, zoals we zojuist hebben toegelicht. We houden hierbij bijzondere aandacht voor de vraag of in het vervolgonderzoek bewijs beschikbaar komt dat een ander licht kan werpen op de zaak dan de informatie in het dossier of bewijs dat anderszins ten voordeel kan strekken van de verdachten.

Ten aanzien van het bericht dat verdachte Kharchenko van zijn vrijheid beroofd zou zijn door de gewapende groep waar hij in 2014 zelf toe behoorde, hebben wij geprobeerd meer informatie te verkrijgen. Dat heeft niet meer informatie opgeleverd dan de berichtgeving in open bronnen over dit onderwerp. De juistheid van die berichten kunnen wij tot op heden niet bevestigen.

U noemde voorts het recente interview van Girkin. Dat laten wij vertalen. Wij nemen aan dat de beslissingen die u op 3 juli zult nemen zullen leiden tot aanvulling van het dossier. Het recente interview van Girkin en een vertaling van de relevante passages daarvan kunnen daarbij eveneens worden aangeleverd.

Verder vroeg u naar de uitkomst van het overleg van het Openbaar Ministerie met het Rechtsbijstandsteam (RBT) op 20 mei jl. In dat overleg hebben wij de inhoud van onze brief van 12 mei j. met hen besproken en toegelicht dat het wat ons betreft primair op de weg ligt van het Openbaar Ministerie om aan de nabestaanden en het RBT informatie te verstrekken over het onderzoek en de voortgang van het strafproces. Naar wij begrijpen kunnen de leden van het RBT zich er na dit overleg in vinden dat niet alle correspondentie tussen Openbaar Ministerie, rechtbank en verdediging integraal met het RBT wordt gedeeld.  Als uit die correspondentie relevante informatie voor de nabestaanden voortvloeit, zullen wij die delen met het RBT.

Verder verloop van dit zittingsblok

We willen nog enkele korte opmerkingen maken over de verdere planning van dit zittingsblok. U heeft aangegeven dat we op maandag 22 juni verder gaan. De verdediging krijgt dan de gelegenheid om onderzoekswensen te formuleren. In diezelfde week hoopt u de standpuntenwisseling daarover af te ronden. Dat is een krappe planning. Als de verdediging een groot aantal vragen en onderzoekswensen formuleert, zal het Openbaar Ministerie tenminste enige dagen nodig hebben om een onderbouwd standpunt daarover te formuleren.

Het Openbaar Ministerie heeft al het mogelijke gedaan om een efficiënt gebruik van deze zittingstijd te bevorderen: zo hebben wij ruim voor de aanvang van dit zittingsblok onze vorderingen tot nader onderzoek en de inhoudelijke onderbouwing daarvan schriftelijk medegedeeld.

Wij vragen de verdediging om - voor zover nog mogelijk - hetzelfde te doen, zodat de planning van het vervolg van dit zittingsblok gehaald wordt.

In de eerste plaats kan de verdediging eventuele concrete vragen over de inhoud van het dossier of mogelijkheden tot inzage van bepaalde stukken eerst aan het Openbaar Ministerie stellen in plaats van die pas op 22 juni aan uw rechtbank voor te leggen. De verdediging heeft op maandag 8 juni jl. enerzijds aangekondigd zoveel mogelijk vragen kenbaar te zullen maken en onderzoekswensen op te zullen geven[19], maar anderzijds gemeld geen onderzoekswensen te zullen formuleren over vragen als “wie heeft precies wat gedaan, wie behoorde al dan niet tot welke strijdkrachten, wie wist wat, wat dacht men te weten en waarom, wie bepaalde wat, etc.?”.[20] Ook heeft de verdediging aangekondigd geen onderzoekswensen op te zullen geven over “onderwerpen die het (ontlastend dan wel belastend) bewijs voor de betrokkenheid/deelneming van onze cliënt raken”.[21] Het ziet er dus naar uit dat de verdediging vooral veel vragen zal stellen over het dossier. Wij hebben in het afgelopen half jaar meermalen aangegeven dat wij graag bereid zijn concrete vragen van de verdediging te beantwoorden.[22] Sinds de verstrekking van het dossier hebben wij van de verdediging slechts algemene vragen ontvangen over de samenstelling van dat dossier,[23] maar nog geen enkele vraag over een concreet, inhoudelijk onderwerp.

Een regiezitting dient om rechterlijke beslissingen te kunnen nemen over verzoeken om aanvullend onderzoek en over andere, concrete punten waarover verdediging en Openbaar Ministerie het niet eens worden. Het verdient dus aanbeveling om de beschikbare zittingstijd ook daarvoor te gebruiken.

In de tweede plaats zou de verdediging op woensdag 17 juni schriftelijk de op dat moment bij haar bekende onderzoekswensen kunnen aankondigen. Uit de toelichting van de verdediging van 8 juni jl. blijkt dat de verdediging voor zichzelf blijkbaar een helder beeld heeft van welke onderwerpen zij wel wil bespreken en welke onderwerpen niet.[24] Ook als onze toelichting op het onderzoek nog aanleiding geeft tot nadere onderzoekwensen, zullen die niet allemaal op zondag 21 juni 2020 neerdalen als dauw uit de hemel. Daarom lijkt het ons niet teveel gevraagd om die verzoeken over een week na vandaag aan te kondigen. Dat bespoedigt de bespreking van die verzoeken op zitting.

In de derde plaats kan de verdediging er zorg voor dragen dat bij de formulering van de onderzoekswensen direct een volledige onderbouwing wordt gegeven. Dat is met name van belang waar te voorzien is dat Openbaar Ministerie en verdediging van opvatting zullen verschillen. Als de verdediging inderdaad - zoals aangekondigd in maart – verzoeken wenst te doen in relatie tot het niet sluiten van het Oekraïense luchtruim, is het efficiënt als daarbij meteen concreet wordt aangegeven voor welke door de rechtbank te nemen beslissing zulk onderzoek relevant is en waarom. Het is op een regiezitting gebruikelijk dat de verdediging eerst onderzoekswensen formuleert en het Openbaar Ministerie daarop reageert, waarna van beide kanten desgewenst een tweede ronde plaatsvindt. In dit geval is het laatste woord bedacht voor de verdediging. Daar heeft het Openbaar Ministerie geen bezwaar tegen, maar dat kan alleen als de onderzoekswensen in eerste termijn volledig onderbouwd worden. Als de verdediging in tweede termijn haar onderbouwing aanvult, zal het Openbaar Ministerie daarop moeten reageren. Dat zou de planning krapper maken dan zij al is.

Verder verloop van dit strafproces

Als laatste willen we kort stilstaan bij de verdere planning van dit strafproces. We hebben in de aanloop naar deze zitting aangegeven dat dit wat ons betreft het beste kon gebeuren na bespreking van de onderzoekswensen van de verdediging. De toelichting van de verdediging van 8 juni jl. in de zaak van Pulatov maakt dit anders. Die geeft ons reden om nu al aandacht te vragen voor het belang om vooruit te plannen. In het bijzonder in de zaken van de andere drie verdachten. Die planning lijkt ons noodzakelijk om recht te doen aan de nabestaanden en aan de andere drie verdachten.

De zaken tegen de drie medeverdachten zijn – wat het Openbaar Ministerie betreft - klaar voor inhoudelijke behandeling. Als uw rechtbank in die zaken nog ambtshalve nader onderzoek gelast, zullen wij dat de komende weken horen, maar op basis van wat wij nu weten, zou de inhoudelijke behandeling van die drie zaken in het zittingsblok van dit najaar plaats kunnen vinden. De drie verdachten in die zaken hebben recht op afdoening van hun zaak binnen een redelijke termijn: de verplichting om zaken voortvarend te behandelen geldt immers ook in de verstekzaken, nu verdachten op de hoogte zijn van dit proces. Ook als zij afstand hebben gedaan van hun aanwezigheidsrecht, mogen zij niet onnodig lang in onzekerheid worden gelaten over de uitkomst van hun zaak.[25] Evengoed hebben de nabestaanden recht op een voortvarende behandeling van de zaken en op duidelijkheid over de vraag wanneer zij hun rechten in dit proces kunnen uitoefenen.

Tegelijk constateren wij dat in de zaak Pulatov de inhoudelijke behandeling volgens de verdediging nog zo ver weg is dat zij zichzelf nog niet eens in staat acht om overleg te voeren over de vorm waarin die inhoudelijke behandeling zou kunnen plaatsvinden.[26] Ook nadat het Openbaar Ministerie had aangegeven dat zulk overleg over de vorm al ver voor de inhoudelijke behandeling zal moeten plaatsvinden, omdat de voorbereiding daarvan veel tijd kost.[27] Verder is deze week duidelijk geworden dat de verdediging maar zeer beperkt onderzoekswensen zal formuleren in dit zittingsblok. Wat de verdediging betreft, is een inhoudelijke behandeling in de zaak Pulatov dus nog heel ver weg.

Voorop: wij begrijpen dat de verdediging geconfronteerd wordt met beperkingen door de coronamaatregelen. Dat zij hun cliënt niet kunnen bezoeken is een feit. Ook begrijpen wij dat de raadslieden liever direct overleg hadden gevoerd met hun cliënt. Tegelijk moeten wij vaststellen dat het in deze strafzaak niet draait om de belangen en de professionele wensen van de raadslieden, maar om de gelegenheid van Pulatov zelf om zich – via zijn raadslieden – te verdedigen. Bovendien zal naast het verdedigingsrecht van Pulatov ook rekening moeten worden gehouden met de rechten van andere betrokkenen. Dat geldt ook voor Pulatov. Van hem mag verlangd worden dat hij de gegeven mogelijkheden benut om zijn verdediging vorm te geven.

Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de beperkingen waarmee Pulatov wordt geconfronteerd en de beperkingen die het gevolg zijn van zijn eigen keuzes.

Als we vanuit dit perspectief kijken naar de toelichting van de verdediging van afgelopen maandag, 8 juni jl., constateren wij het volgende.

Verdachte Pulatov heeft sinds de zitting in maart met zijn advocaten uitsluitend oppervlakkig en  via tussenpersonen contact gehad.[28] Op de zitting van 8 juni jl. hebben zijn raadslieden geen antwoord gegeven op de vraag of er praktische belemmeringen zijn voor Pulatov om – anders dan door middel van een fysieke ontmoeting - contact te onderhouden met zijn advocaten. Aangenomen moet dus worden dat zulke praktische belemmeringen er niet zijn. Het lijkt dus een eigen keuze van Pulatov om alleen oppervlakkig en via tussenpersonen contact te hebben met zijn raadslieden.

Volgens zijn raadslieden kent Pulatov hen nog nauwelijks en moet de vertrouwensband tussen hen nog groeien.[29] Pulatov is echter al sinds 19 juni 2019 bekend met zijn vervolging in Nederland en heeft al op 16 oktober 2019 via zijn Russische advocaat aan de rechter-commissaris bericht op zoek te zijn naar een advocaat die hem in de Nederlandse procedure kan vertegenwoordigen. Tijdens telefoongesprekken van 6 en 17 december 2019 heeft zijn Russische advocate, mevrouw Kutina, aan het Openbaar Ministerie laten weten bezig te zijn met de selectie van een geschikte Nederlandse advocaat. Pulatov weet dus al bijna een jaar dat hij in Nederland wordt vervolgd en was dus al vijf maanden vóór de coronacrisis bezig met het regelen van zijn verdediging in Nederland.

Verder heeft Pulatov al langer toegang tot informatie op grond waarvan hij zijn verdediging, ook in afstemming met zijn Russische en Nederlandse advocaten, had kunnen bepalen. Op 19 juni 2019 heeft hij kennis genomen van het strafrechtelijk verwijt dat het Openbaar Ministerie hem maakt. Op respectievelijk 19 december 2019, 26 februari en 12 maart 2020 zijn de Russische vertalingen van de tenlastelegging, het algemeen relaas van het dossier en het persoonsdossier van Pulatov aan zijn Russische of Nederlandse advocaten verstrekt. Ook zijn audiobestanden van de meest relevante door hem gevoerde tapgesprekken aan het dossier toegevoegd zodat hij daar zelf kennis van kan nemen.[30] Al tijdens het overleg met de raadslieden van 22 januari 2020 heeft het Openbaar Ministerie aangeboden om desgewenst een afzonderlijke stick met die tapgesprekken te verstrekken. Dit alles heeft niet geleid tot een kenbare reactie van Pulatov. Desgevraagd hebben de raadslieden op zitting van 8 juni jl. geantwoord “niet te kunnen zeggen” of Pulatov de vertaalde stukken al heeft gelezen.

Alles wat de verdediging op 8 juni jl. heeft gezegd over taal- en communicatieproblemen bij contact op afstand over het dossier[31] komt dus neer op problemen die zich in algemene zin zouden kunnen voordoen, niet op problemen die Pulatov daadwerkelijk ondervonden heeft. Pulatov heeft immers niet geprobeerd met zijn Nederlandse raadslieden over het dossier te communiceren op afstand. Zijn raadslieden hebben geen direct contact met hem gehad en kunnen niet zeggen of de voor hem naar het Russisch vertaalde stukken ook door hem zijn gelezen.

Als we kijken naar de gang van zaken in andere strafzaken kunnen we enkel constateren dat Pulatov geen gebruik maakt van mogelijkheden om zijn verdediging vorm te geven die door de meeste andere verdachten die geen Nederlands spreken wel worden benut. Pulatov is niet de eerste verdachte die in dit land terecht staat op grond van een omvangrijk dossier terwijl hij zelf geen Nederlands spreekt. Er is voor Pulatov al meer naar het Russisch vertaald dan voor veel andere niet-Nederlandse verdachten in andere zaken is gebeurd. Regel is immers dat alleen essentiële stukken hoeven te worden vertaald en dat verder gebruik wordt gemaakt van vertolking. In dit land hebben onder andere voormalige leden van Afghaanse veiligheidsdiensten, Tamil Tijgers uit Sri Lanka en Rwandese genocideplegers laten zien dat zij de beschuldigingen tegen hen gemotiveerd konden weerspreken met goede rechtsbijstand, vertaling van de essentiële stukken en bijstand van een tolk. Dat Pulatov klaagt dat er te weinig voor hem is vertaald, terwijl zijn raadslieden ter zitting niet kunnen zeggen of hij de eerder verstrekte vertalingen al gelezen heeft, is voor het Openbaar Ministerie onbegrijpelijk.

Dat Pulatov geen gebruik heeft gemaakt van de gegeven mogelijkheden om zijn verdediging vorm te geven wordt nog onbegrijpelijker, als we in aanmerking nemen dat hij op internetfora wél reageert op de beschuldiging tegen hem, maar dat hier in de rechtszaal nog niet wil doen.

Zo schreef hij op 22 februari 2020 op het internetforum Glav in een discussie over MH17 dat hij niet de commandant van Snizhne was maar wel de zwarte doos aan de commandant van Snizhne in bewaring heeft gegeven. Dat was ruim een week nadat hij had geweigerd tegenover de Russische autoriteiten vragen te beantwoorden die hem per rechtshulpverzoek waren gesteld. En het was kort vóór de zitting van maart, waarop Pulatov zich nergens over uit wilde laten, ook niet over concrete tapgesprekken die in het dossier aan hem worden toegeschreven. Deze uitlating van Pulatov op het Glav-forum sluit nauw aan bij tapgesprekken die zich in het dossier bevinden over de betrokkenheid van Pulatov bij het vinden van een zwarte doos van MH17.

Op 19 maart 2020, nog tijdens de zitting van maart, gaf Pulatov opnieuw commentaar op het Glav forum. In diezelfde weken dat zijn raadslieden hier in deze zittingszaal uitlegden dat zij nog niets konden zeggen over het dossier, schreef Pulatov op Glav dat een specialist wel zou kunnen wijzen “op een flater die de versie van het onderzoek volledig onderuit haalt”.

Kort voor dit zittingsblok, op 30 mei 2020, heeft Pulatov op Glav gereageerd op een bericht over het recente interview van zijn medeverdachte Girkin. Daarin heeft hij gesproken over de volgens hem “geraffineerde stelling” dat de Buk uit Rusland zou zijn gebracht en aangegeven dat de “derde en vierde motor van de Boeing” zouden zijn afgevallen.

Deze inhoudelijke uitlatingen van Pulatov over verschillende onderwerpen uit het dossier op een internetforum laten zich moeilijk rijmen met de door hem gestelde beperkingen om in deze rechtszaal te reageren.

Als we vervolgens kijken naar wat er volgens Pulatov nodig is om later alsnog volledige regie te voeren over het dossier, moeten we constateren dat er geen concreet uitzicht is dat aan die voorwaarden voldaan kan worden. Als wij niet weten waarom Pulatov de afgelopen maanden geen reden heeft gezien om de voor hem naar het Russisch vertaalde stukken te lezen en daarop te reageren in deze zittingzaal, is er geen reden om te denken dat hij dat de komende maanden wel zal doen. We weten ook niet op welke termijn er weer naar Rusland gereisd kan worden, laat staan naar de onbekende andere landen waar Pulatov verschillende specialisten in persoon wil laten raadplegen.[32] We weten wel dat er serieus rekening gehouden wordt met een tweede coronagolf, en dus nieuwe maatregelen, in het komend najaar.

Dit alles maakt dat het contrast tussen de zaak van Pulatov en de zaak van zijn drie medeverdachten wel erg groot is geworden. Volgens Pulatov kan een door hem gewenste tweede regieronde pas plaatsvinden, nadat:

  • Pulatov en zijn raadslieden voldoende kennis hebben van het dossier;[33]
  • de reisbeperkingen zijn opgeheven, zodat er direct contact kan plaatsvinden tussen Pulatov en zijn raadslieden[34] en tussen zijn raadslieden en specialisten;[35]
  • er een vertrouwensband is opgebouwd tussen Pulatov en zijn raadslieden.[36]

Wanneer deze door voorwaarden vervuld kunnen worden, is een open vraag.

Dat Pulatov deze voorwaarden benoemt, wil niet zeggen dat uw rechtbank die voorwaarden ook zal accepteren. Zoals wij hebben uitgelegd, is wat het Openbaar Ministerie betreft duidelijk dat enerzijds de reisbeperkingen als gevolg van de coronamaatregelen onwenselijke beperkingen opleveren, maar anderzijds dat Pulatov belangrijke mogelijkheden om zijn verdediging vorm te geven onbenut laat. Tot welke beslissingen van uw rechtbank dat later gaat leiden in de zaak van Pulatov, moeten we afwachten. Het Openbaar Ministerie meent echter dat de voortgang en planning in dit proces niet voor alle andere betrokkenen een open vraag kan blijven. Die andere betrokken kunnen niet blijven wachten tot het moment dat Pulatov de voor hem vertaalde stukken heeft gelezen en daar ook in deze rechtszaal op wil reageren, in plaats van alleen op het internet. Daarom vragen wij nu al aandacht voor de verdere planning van dit proces.

Het Openbaar Ministerie voert graag overleg met de verdediging over de vorm en planning van de inhoudelijke behandeling, maar ziet daarvoor op dit moment te weinig aanknopingspunten. Gelet op de brief van 28 mei jl., waarin de verdediging heeft aangegeven zulk overleg prematuur te vinden, verwachten wij niet dat zulk overleg binnen afzienbare termijn een concrete uitkomst zal opleveren. Tegelijk zal er aan de nabestaanden wel een concreet perspectief geboden moeten worden. Juist voor de nabestaanden is duidelijkheid over het verloop van dit proces van groot belang. Niet alleen vanwege de voorbereidingen die zij zullen moeten treffen om hun rechten uit te oefenen, maar ook vanwege de emotionele belasting die zij zullen ondervinden van verdere vertraging en onzekerheid. Voor het Openbaar Ministerie is het verder van belang om tijdig te vernemen of het zelf een toelichting op delen van het dossier moet geven of niet. De ervaring leert inmiddels dat het de nodige voorbereiding vergt om dit op een voor het publiek inzichtelijke wijze te doen. Die voorbereiding kan pas beginnen na een beslissing van uw rechtbank over de wijze waarop u de inhoudelijke behandeling wilt inrichten.

Daarom vragen wij uw rechtbank om in dit zittingsblok beslissingen te nemen over de vorm van de inhoudelijke behandeling en een voorlopige planning te maken voor het uitoefenen van de rechten van de nabestaanden. Concreet vragen wij uw rechtbank om:

  • op 3 juli te beslissen of u wel of niet wilt dat het Openbaar Ministerie een toelichting geeft op de verschillende onderwerpen die besproken zullen worden tijdens de inhoudelijke behandeling (en zo ja, of u wilt dat het Openbaar Ministerie een voorstel formuleert voor een volgorde van onderwerpen of dat uw rechtbank die volgorde wil bepalen);
  • ten minste een voorlopige planning te bepalen voor de inhoudelijke behandeling van het dossier (in oktober en november van dit jaar) en het maken van een (voorlopige) planning voor het uitoefenen van het spreekrecht, de bespreking van de schriftelijke slachtofferverklaringen en de behandeling van vorderingen van benadeelde partijen (vanaf februari 2021).    

Als u dit doet, houden alle betrokkenen in dit proces uitzicht op voortgang. Uw rechtbank houdt hiermee verschillende opties open. Mogelijk kan er in oktober en november een inhoudelijke behandeling van het dossier plaatsvinden in alle vier de zaken. Mogelijk moet u na de zomer constateren dat het niet mogelijk is de zaken gelijktijdig te blijven behandelen en volgt er in oktober en november een inhoudelijke behandeling in de zaken van de drie verstekverdachten, maar niet in de zaak van Pulatov. Als na de zomer blijkt dat een gelijktijdige inhoudelijke behandeling niet mogelijk is in oktober en november maar wel kort daarna, kunt u die voorlopig geplande inhoudelijke behandeling alsnog uitstellen. Als u in dit zittingsblok geen beslissingen neemt over de vorm en planning van de inhoudelijke behandeling, blijft er onvoldoende voorbereidingstijd over om die nog dit jaar te laten plaatsvinden. Daarmee zou ook de mogelijkheid voor de nabestaanden komen te vervallen om in het voorjaar van 2021 hun rechten uit te oefenen.

Door middel van een voorlopige planning zouden de eerder geplande zittingsblokken zo goed mogelijk worden benut, ontstaat er concreet zicht op het verdere verloop en de afronding van dit strafproces en weten alle betrokkenen tenminste in enige mate waar zij aan toe zijn.

Tot slot

Wij ronden af. Met onze toelichting hebben wij inzicht willen geven in de loop van het onderzoek en de keuzes die daarin gemaakt zijn. Op basis van deze toelichting en het onderliggend dossier kan beoordeeld worden of dit onderzoek volledig is en zo niet, welk nader onderzoek er nog zal moeten plaatsvinden. De beslissing daarover is aan uw rechtbank.

Zoals wij in onze inleiding al aangaven, hebben wij geen overzicht gegeven van al het aanwezige bewijs of conclusies getrokken over wat er wel en niet bewezen kan worden. Dat zal pas gebeuren tijdens en na de inhoudelijke behandeling.

Naar zijn aard was onze toelichting zakelijk en procedureel van toon. Wij hebben daarin niet gesproken over de gevolgen voor de nabestaanden. Tegelijk zijn wij ons ervan bewust dat onze bespreking veel nabestaanden niet onberoerd zal hebben gelaten. Wij beseffen, dat als wij spreken over het onderzoek aan de lichamen van slachtoffers of als wij de vernietigende kracht van een Buk-raket laten zien, wij daarmee oude wonden openhalen. Dit is de hoge, maar onvermijdelijke prijs van een strafproces. In de contacten die het Openbaar Ministerie regelmatig met nabestaanden heeft – ook weer voor dit zittingsblok – horen en lezen wij hoe ingrijpend en belastend dit voor veel nabestaanden is. Wij doen ons best daar zo veel rekening mee te houden, voor zover een goed verloop van het strafproces dat toelaat. Bij de gevolgen die de nabestaanden hebben ondervonden en blijven ondervinden zal op een later moment in dit proces worden stilgestaan. Uiteindelijk moet aan alle betrokkenen in deze zaken recht worden gedaan.

Voetnoten

[1] Zie bijvoorbeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 14 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5478 (shaken baby); HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:639 (moord zonder lijk).

[2] H.G. van der Wilt, ‘Enkele overpeinzingen over MH17’, DD 2020/6.

[3] Zie: Smidt (1881), deel II, p.116 over titel VII van boek 2 van WvSr (waarin ook toen al artikel 168 Sr was opgenomen met betrekking tot ‘eenig vaartuig’): “Het opzet behoeft slechts gerigt te zijn op de in de wet omschreven handeling, afgescheiden van het gemeen gevaar en van de gevolgen van bepaalde personen.”; Kamerstukken II, 2013-2014, 33 759, nr. 3, p. 7: “Artikel 168 Sr. Betreft opzettelijke vernieling van een vaartuig, voertuig of luchtvaartuig. Dit artikel gaat ervan uit dat gevolgen van het wederrechtelijk handelen zijn opgetreden, waardoor gevaar te duchten is. Deze gevolgen worden omschreven als het doen zinken, stranden of verongelukken, vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen.”; Noyon/Langemeijer/Remmelink, aantekening 1 bij titel VII van boek 2 WvSr; HR 8 juli 1992, NJ 1993/13 en HR 17 februari 2009, LJN BG1653 over de reikwijdte van opzet bij het eveneens in titel VII opgenomen artikel 157 Sr.

[4] Zie T&C artikel bij 168 Sr, aantekening 9.

[5] Zie bijvoorbeeld Rb Midden-Nederland 20 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1046 (Utrechtse tramschutter), Rb Oost-Brabant 17 april 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ7159 en Rb Overijssel 15 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:2844.

[6] HR 29 oktober 1974, NJ 1975/108; HR 21 februari 1978, NJ 1978/686.

[7] Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, commentaar bij artikel 47 Sr, aantekening 33.

[8] HR 4 maart 2008, NJ 2008, 156, r.o. 3.6.

[9] Feiten 1 en 2, telkens meer subsidiair: ‘in of in of omstreeks de periode van 8 juni 2014 tot en met 17 juli 2014 in Oekraïne (en de Russische Federatie)’.

[10] Zoals steeds in deze zaak dient overal waar een bedreigd anonieme getuige wordt aangeduid met hij hiervoor gelezen te worden: hij/zij.

[11] Zie art. 226b lid 3 Sv.

[12] Zie art. 226a lid 3 Sv alsmede de brief van de rechter-commissaris d.d. 12 mei 2020 en daarin genoemde bronnen.

[13] Beroepschrift, p. 28.

[14] Beroepschrift, randnummer 100.

[15] Conclusie bij HR 17 januari 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BU2046, 13.10-13.11 (cursiveringen toegevoegd).

[16] HR 17 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2046, r.o. 2.1. In dezelfde zin: ECLI:NL:HR:2012:BU2046

[17] R.o. 4.2.12.

[18] Standpunt OM in raadkamer, 26 maart 2020, p. 38-40.

[19] Toelichting raadslieden Pulatov d.d. 8 juni 2020, pt. 78.

[20] Toelichting raadslieden Pulatov d.d. 8 juni 2020, pt. 63 en 65.

[21] Toelichting raadslieden Pulatov d.d. 8 juni 2020, pt. 67 (en verder).

[22] Onder meer in overleggen d.d. 22 januari en 21 februari 2020, ter zitting van 10 maart 2020 (Standpunt OM voortgang proces) en brief van OM aan verdediging d.d. 23 maart 2020.

[23] Brieven van verdediging van 17 maart en 24 april 2020.

[24] Zie o.a. Toelichting verdediging 8 juni 2020, pt. 76-78.

[25] Zie ook HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, r.o. 3.8, onder b.

[26] Brief verdediging Pulatov aan voorzitter d.d. 28 mei 2020.

[27] Brief OM aan voorzitter d.d. 27 mei 2020, p. 7-8.

[28] Toelichting verdediging Pulatov 8 juni 2020, pt. 38.

[29] Toelichting verdediging Pulatov 8 juni 2020Pt. 36-37.

[30] Zie ook uitnodiging van OM in Standpunt voortgang proces van 10 maart 2020, p. 22.

[31] Toelichting verdediging Pulatov 8 juni 2020, pt. 28-35.

[32] Toelichting verdediging Pulatov d.d. 8 juni 2020, pt. 39-40.

[33] Toelichting verdediging Pulatov d.d. 8 juni 2020, pt. 2-17.

[34] Toelichting verdediging Pulatov d.d. 8 juni 2020, pt. 19-38.

[35] Toelichting verdediging Pulatov d.d. 8 juni 2020, pt. 39-40.

[36] Toelichting verdediging Pulatov d.d. 8 juni 2020, pt. 36-38.