Reactie OM op verdediging (deel 1)

Uitgesproken op de zitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag op 26 juni 2020.

MH17: reactie OM op verdediging (deel 1)

Inleiding

Begin deze week heeft Pulatov zich voor de tweede keer op zitting uitgelaten over zijn zaak, bij monde van zijn raadslieden. Op 9 maart heeft hij al aangeven dat hij niets met het neerhalen van MH17 te maken heeft gehad, al wilde hij daar op dat moment nog niet meer over zeggen. In deze tweede fase van zijn proces heeft Pulatov een groot aantal onderzoekswensen gedaan.

Vandaag zal het Openbaar Ministerie reageren. Hierna komen de volgende onderwerpen aan bod:

  • de vraag hoe dit proces verder moet verlopen;
  • de vorderingen van het Openbaar Ministerie en de vragen die uw rechtbank heeft gesteld op 10 juni;
  • de inzageverzoeken van de verdediging;
  • de onderzoekswensen van de verdediging;
  • de vraag of het onderzoek dat Pulatov heeft gevraagd relevante informatie kan opleveren als we in aanmerking nemen welk bewijs zich al in het dossier bevindt.

Vervolg van het strafproces

Op 10 juni hebben wij uw rechtbank gevraagd een voorlopige planning te maken voor het vervolg van dit proces. Wij hebben er daarbij op gewezen dat de zaken tegen de drie verstekverdachten in beginsel gereed zijn voor inhoudelijke behandeling. Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie kunnen de vier strafzaken in dit proces alleen gelijktijdig behandeld worden als er concreet uitzicht is op een afronding binnen redelijke termijn. Is dat er niet, dan vragen de rechten en belangen van de andere drie verdachten, de nabestaanden en de samenleving in bredere zin dat de drie verstekzaken voortvarend worden afgerond en niet in de wachtstand blijven staan in afwachting van het moment dat Pulatov zijn procespositie kenbaar wenst te maken.

Hetgeen Pulatov bij monde van zijn raadslieden naar voren heeft gebracht deze week maakt de noodzaak om weloverwogen vooruit te plannen wat ons betreft niet kleiner maar groter. Zoals in ieder strafproces moet de inhoudelijke behandeling van het dossier daarbij centraal staan. Het is een vriendelijk gebaar van de verdediging om te zeggen dat het spreekrecht van de nabestaanden niet afhankelijk hoeft te zijn van de overige planning, maar de nabestaanden zijn daar niet mee geholpen. Dat spreekrecht kan niet in een procedureel vacuüm worden uitgeoefend. Zij hebben recht op duidelijkheid over de verdere voortgang, en moeten hun rechten – niet alleen het spreekrecht maar ook hun toelichting op een vordering benadeelde partij – desgewenst in één keer kunnen uitoefenen. De nabestaanden worden genoeg belast in dit strafproces. Dat moment voor de uitoefening van hun rechten is na de inhoudelijke behandeling. Het spreekrecht kan immers pas daarna volwaardig worden uitgeoefend.

Wij hebben kennis genomen van de brief die mevrouw Schijns gisteren namens het RBT heeft gestuurd aan uw rechtbank. In deze brief geeft zij aan dat het belang van de nabestaanden is gediend bij een voortvarende behandeling van de strafzaak maar dat het RBT een behandeling van de vorderingen in februari 2021 niet haalbaar acht. De reden daarvoor zou zijn dat de vorderingen in dat geval voor 1 november 2020 gereed moeten zijn, omdat de verdachten geruime tijd voor de behandeling van de vorderingen daarvan kennis hebben moeten kunnen nemen. Ook wordt de advisering door het RBT complex geacht en vraagt het RBT dat de toelichting op de vorderingen benadeelde partij niet plaatsvindt voordat de rechtbank tussentijds heeft beslist op de vraag naar het toepasselijke recht.

Deze opstelling van het RBT is voor het Openbaar Ministerie niet meteen begrijpelijk. Natuurlijk moeten de verdachten de gelegenheid krijgen de vorderingen benadeelde partij goed te bestuderen voor deze ter zitting worden besproken. Wij zien echter niet direct in dat het een wettelijke eis is dat de vorderingen zó ver voor de behandeling ingediend moeten worden. Ook vragen wij ons af of zoveel voorbereidingstijd voor een zo goed bemenst team als dit RBT daadwerkelijk nodig is.

Wat daar ook van zij, de mededeling van het RBT dat een grote groep door het RBT vertegenwoordigde nabestaanden een behandeling van hun vorderingen in februari 2021 niet haalbaar acht, is voor het Openbaar Ministerie reden ons verzoek ten aanzien van de planning aan te passen. Immers, als zowel de verdediging als het RBT namens een grote groep nabestaanden aangeeft meer tijd nodig te hebben dan de door het Openbaar Ministerie gewenste planning biedt, moeten wij ons daar rekenschap van geven. Wij persisteren wel bij ons verzoek van 10 juni jl. aan uw rechtbank om een voorlopige planning te bepalen voor het vervolg van dit strafproces. Naar aanleiding van de brief van het RBT verzoeken wij u nu echter concreet ten minste een voorlopige planning te bepalen voor de inhoudelijke behandeling van het dossier (in februari en maart 2021) en het maken van een (voorlopige) planning voor het uitoefenen van het spreekrecht, de bespreking van de schriftelijke slachtofferverklaringen en de behandeling van vorderingen van benadeelde partijen (in mei en juni 2021).

Wij begrijpen, ook nu, dat deze planning niet in steen gehouwen kan zijn, maar wij zien geen reden om geheel af te zien van een verdere planning.

Wij persisteren ook bij ons verzoek aan uw rechtbank om te beslissen over de vorm van de inhoudelijke behandeling, zodat alle betrokkenen weten wat van hen gevraagd wordt en zich daar goed op kunnen voorbereiden. De verdediging heeft op de terechtzitting van 23 juni 2020 te kennen gegeven bezwaar te hebben tegen een grotere rol van het Openbaar Ministerie bij het bespreken van het dossier. Een van de redenen is dat de verdediging het voorhouden van de stukken op grond van artikel 301 Sv een goede manier vindt om méér te weten over welke stukken de rechtbank relevant acht, over hoe bepaalde stukken worden begrepen en op welke punten er juist vragen zijn. De selectie van stukken geeft de verdediging inzicht in wat de rechtbank in het licht van de beslissingen ex 348 en 350 Sv relevant vindt. Voorts meent de verdediging dat bij de bespreking van de stukken objectiviteit in acht moet worden genomen en dat dit niet van het Openbaar Ministerie valt te verwachten. De verdediging verwijst daarbij naar de eigen uitleg dat het Openbaar Ministerie ten onrechte de uitlating van een getuige zou hebben genegeerd dat het maximale bereik van een Buk-raket 9M38-M1 wel 55 kilometer is. Wij zullen zo uitleggen dat deze bewering van de verdediging feitelijk onjuist is: dit heeft die getuige nooit gezegd, en wat hi wel heeft gezegd staat vermeld in het Wapen-dossier, waar de elders in het dossier gehanteerde 36 kilometer grens gemotiveerd op is gebaseerd. Voor een verwijt van een gebrek aan objectiviteit aan het adres van het Openbaar Ministerie zien wij geen redelijke gronden.

Ook de andere reden voor de aarzeling van de verdediging kunnen wij niet begrijpen. U heeft in uw brief van 12 mei jl. al aangegeven dat bij de inhoudelijke behandeling in ieder geval ook de inbreng van de verdediging (bijvoorbeeld naar aanleiding van uitgevoerde onderzoekswensen) door de rechtbank of de verdediging kan worden besproken en ook vragen, opmerkingen en observaties van de zijde van de rechtbank of verdediging aan de orde kunnen komen. Uiteraard is het niet de bedoeling dat alleen het Openbaar Ministerie stukken benoemt of aan het woord komt. Wij zien voor ons dat zowel Openbaar Ministerie als de verdediging de gelegenheid krijgt per onderwerp de relevante stukken in het dossier te bespreken, waarna alle ruimte is voor samenvatting, aanvulling, vragen en opmerkingen door de rechtbank. Ons inziens voldoet dat aan de eisen van art. 301 Sv.

De stelling van de verdediging dat het voorschrift van art. 301 Sv meer doelen dient dan de openbaarheid en de suggestie dat een doel van dat artikel zou zijn dat daardoor inzicht kan worden verkregen in de selectie van stukken die de rechter wenst te maken, de wijze waarop de rechter die stukken begrijpt en de vragen die de rechter er nog over heeft, is onjuist. Art. 301 Sv dient de (interne) openbaarheid en niet meer dan dat. Deze bepaling strekt ertoe dat de verdachte in het vonnis c.q. arrest niet wordt geconfronteerd met stukken die hij niet kent en die nadelig voor hem zijn.[1] De rechter mag natuurlijk ter zitting vragen stellen en opmerkingen maken over stukken, maar het is niet een doel van art. 301 Sv om dat te bevorderen of verplichten. Dat blijkt alleen al uit het voorschrift van art. 417 Sv dat stukken die in eerste aanleg zijn voorgehouden in hoger beroep niet nogmaals hoeven te worden voorgehouden. Het blijkt ook uit het feit dat art. 301 Sv wel bepaalt dat relevante stukken moeten worden voorgelezen, maar niet bepaalt wie dat moet doen. De voorzitter mag zelf stukken voorlezen of dit door de griffier laten doen[2], maar hij kan het ook aan een bijzitter of de officier van justitie overlaten[3].

Uw rechtbank heeft dus alle ruimte om te bepalen dat Openbaar Ministerie en verdediging bij de inhoudelijke behandeling eerst de gelegenheid krijgen te bespreken welke stukken uit het dossier zij relevant vinden, zolang u maar bewaakt dat aan het einde van de inhoudelijke behandeling alle relevante stukken zijn besproken of benoemd.

Dan is er het verzoek van de verdediging om verschillende termijnen te bepalen voor het opgeven van toekomstige onderzoekswensen. Wij sluiten ons aan bij dat verzoek, alleen lijkt het voorstel van de verdediging ons onnodig complex. Uw rechtbank heeft in uw brief van 12 mei jl. al benoemd dat na deze zitting nog onderzoekswensen kunnen worden ingediend en dat bij de motivering daarvan zal moeten blijken waarom de verdediging die verzoeken niet eerder heeft kunnen doen om daarmee te bereiken dat die latere verzoeken niet uitsluitend worden beoordeeld op de noodzakelijkheid ervan. Dat is ook wat de wet bepaalt. Het bepalen van een termijn voor het opgeven van onderzoekswensen kan alleen een efficiënt gebruik van de zittingscapaciteit en de kwaliteit van de procesvoering dienen. Het lijkt ons dan ook verstandig dat u bepaalt dat onderzoekswensen tien dagen voor aanvang van het volgende zittingsblok kenbaar moeten worden gemaakt zodat daarover een geïnformeerde standpuntenwisseling ter zitting kan worden voorbereid.

Bij het vooruit kijken naar het vervolg van dit strafproces willen wij als laatste nog kort stilstaan bij de beperkingen die Pulatov heeft genoemd voor de vormgeving van zijn verdediging. Wij hebben eerder, in ons openingswoord, gezegd dat het een van de taken is van het Openbaar Ministerie om te waken over de wettelijke belangen van de verdachten. Die taak nemen wij ook in dit proces serieus. Wij kunnen de belangen van Pulatov echter alleen goed meewegen en bewaken als hij de problemen waar hij tegen aanloopt op een inzichtelijke en consistente wijze duidelijk maakt. De manier waarop hij dat tot heden doet, roept vooral vragen op.

Zo is er de vraag wat nu precies het probleem is in het contact tussen Pulatov en zijn raadslieden. In zijn brief aan de voorzitter van uw rechtbank van 24 april 2020 heeft Pulatov aangegeven dat het onmogelijk was om overleg te voeren met zijn raadslieden over “inhoudelijke en/of strategische beslissingen” en “eventuele onderzoekwensen”.[4] Daarom kon hij pas enige tijd ná de opheffing van de coronabeperkingen bepalen welke onderzoekswensen hij op zitting zou doen.[4] Terwijl Pulatov zichzelf in deze brief dus niet in staat achtte om inhoudelijke beslissingen en onderzoekwensen te bespreken met zijn raadslieden, gaf hij in een andere brief van dezelfde datum aan dat hij met hen al langer op afstand “belangrijke te nemen procesmatige beslissingen” afstemde. Dat lezen wij terug in zijn brief van 24 april 2020 aan de rechter-commissaris. Daarin heeft Pulatov om vertaling gevraagd van conceptbrieven van zijn raadslieden aan de rechtbank en het Openbaar Ministerie. Volgens de toelichting stuurden zijn raadslieden tot dan toe vertalingen van conceptbrieven voor eigen rekening naar Pulatov voor zijn “(feitelijke) input” en “akkoord”. Volgens Pulatov zagen deze conceptbrieven op “belangrijke te nemen procesmatige beslissingen” en bevatten die brieven ‘complexe en gevoelige’ informatie.[6] Daaruit begrepen wij dat Pulatov wel degelijk in staat was om op afstand inhoudelijk overleg te voeren met zijn raadslieden.

In mei bleek Pulatov alsnog in staat om “zoveel mogelijk” onderzoekwensen naar voren te brengen.[7] Deze week heeft hij ter zitting laten weten veel van zijn onderzoekswensen te hebben opgegeven en “geen kaarten tegen de borst te hebben gehouden”.

Ook over de reden dat meer dan oppervlakkig contact via tussenpersonen tussen Pulatov en zijn Nederlandse raadslieden onmogelijk zou zijn,  horen we uiteenlopende verhalen. Op 8 juni jl. stelde Pulatov dat contact op afstand “in praktische zin niet mogelijk” is en dat er geheel geen “praktische en veilige mogelijkheden zijn voor communicatie op afstand zijn”. Daarnaast zou er een veiligheidsrisico zijn en een probleem met de vertrouwensband tussen Pulatov en zijn Nederlandse raadslieden. Na vragen van het Openbaar Ministerie heeft de verdediging op 8 juni aangegeven dat het echte probleem de vertrouwensband is. Woordelijk geciteerd zei de verdediging op 8 juni daarover:

“Voor alle duidelijkheid; het gaat niet zozeer om de vraag of het veilig is of niet het gaat om het opbouwen van een vertrouwensband. […] Het is natuurlijk niet zo dat je even belt en vraagt hoe zit jij er eigenlijk in? Zo werkt dat gewoon niet. Dus het kan zo zijn dat het OM nu denkt te weten waar de gevaren werkelijk liggen of niet, maar dat is niet het punt. Het gaat er niet om waar het nou daadwerkelijk ligt, het gaat erom hoe je over en weer met elkaar kunt omgaan en wat iemand denkt dat er wel of niet aan de hand is.”

Dus niet een veiligheidsrisico of praktische problemen, maar de vertrouwensband en hetgeen Pulatov denkt dat er wel of niet aan de hand is. Op 10 juni deelde de verdediging het volgende mede op zitting over de communicatie met Pulatov. Ik citeer opnieuw woordelijk wat de verdediging toen zei:

“Het is geen onwil van Pulatov om niet met ons te communiceren op dit moment, althans niet inhoudelijk. Wij bepalen dat dat nu niet kan. Wij kunnen er niet omheen dat communiceren op dit moment in ieder geval op constructieve wijze, door corona niet mogelijk is. Niet goed en niet veilig.”

Toen werd als oorzaak dus benoemd veiligheidsrisico’s en praktische communicatieproblemen. Volgens de rechter-commissaris bestaan overigens voor communicatie op afstand “in de huidige tijd (…) voldoende (veilige) mogelijkheden”.[8]

Dezelfde onduidelijkheid zien we over de vraag of communicatie met Pulatov mogelijk is via zijn Russische advocate Kutina. [9] Op 8 juni stelde Pulatov dat Kutina formeel noch informeel een rol heeft bij het voorbereiden van de verdediging. In februari jl. vertelden de Nederlandse raadslieden in het Advocatenblad over de rol van Kutina echter nog het volgende:
“De samenwerking is tot stand gekomen op initiatief van de Russische advocate Elena Kutina. Hoe gaat die in de praktijk verlopen? Van Eijck: ‘We vormen samen een verdedigingsteam. Kutina mag hier niet optreden namens de verdachte, wel levert zij relevante informatie aan voor onze verdediging. Net zoals wij informatie aanleveren aan samenwerkende buitenlandse collega’s in internationale zaken.’ Ten Doesschate: ‘We zullen vooral een beroep op haar doen waar het gaat om de feitelijk-materiële aspecten. Zijn alle feiten in het dossier juist? Daar zullen we zelf veel onderzoek naar doen en zij kan ons helpen die vragen te beantwoorden. Het juridisch-formele gedeelte is hoofdzakelijk Nederlands en zullen wij vooral voor onze rekening nemen.[10]

Tot op de dag van vandaag lezen wij op de website van het kantoor van de raadslieden nog terug dat zij samen met Kutina een “internationaal verdedigingsteam” vormen.[11] Daar wordt verwezen naar het artikel in het Advocatenblad.[12]

In de eerste week van dit zittingsblok is gebleken dat inhoudelijke communicatie tussen Pulatov en zijn Nederlandse raadslieden mogelijk is. Zo kon worden gecheckt dat hij wel degelijk naar het Russisch vertaalde dossierstukken heeft gelezen, alleen is dat volgens zijn Nederlandse raadslieden “niet relevant”.[13] Ook meldde de verdediging in een email van 10 juni dat de verdediging “redenen had om aan te nemen” dat een kort daarvoor verstrekt bericht op het internetforum Glav niet van Pulatov afkomstig was.[14] In een onderzoekswens heeft dat niet geresulteerd, terwijl dat toch bepaald relevant lijkt. Als er “redenen” zijn om “aan te nemen” dat hij dit bericht en mogelijke andere berichten op dat internetforum niet heeft verzonden, willen wij dat graag uitzoeken. Waarom over dat soort onderwerpen, die Pulatov zelf raken, blijkbaar wel communicatie mogelijk is, maar vervolgens geen mededelingen kunnen worden gedaan of onderzoekswensen kunnen worden ingediend begrijpen wij niet.

Als wij dit zo op een rij zetten, zien wij dat er kennelijk wel degelijk inhoudelijk contact mogelijk is tussen Pulatov en zijn raadslieden, ook over ‘gevoelige’ en andere onderwerpen dan die waarover hij inmiddels onderzoekswensen heeft geformuleerd. Zulk contact heeft ook al feitelijk plaatsgevonden. Zoals de rechter-commissaris heeft overwogen kan dit op veilige wijze gebeuren. Wij nemen aan dat de verdediging zelf in beveiliging voorziet, waar zij dat nodig acht. Voor eventuele vragen van de raadslieden over de technische beveiligingsmaatregelen zijn wij desgewenst vanzelfsprekend beschikbaar. Zulke maatregelen kunnen vervolgens geheel buiten beeld van het Openbaar Ministerie door de verdediging zelf worden getroffen.

Verder willen wij nog kort stilstaan bij een andere beperking die Pulatov eerder heeft genoemd en waarbij wij graag meedenken hoe die zo nodig kan worden opgeheven. Volgens Pulatov heeft de coronacrisis ook financieringsproblemen voor zijn verdediging opgeleverd. In brieven van 24 april en 5 mei aan uw voorzitter wezen zijn raadslieden erop dat zij door de coronamaatregelen werden beperkt in hun mogelijkheden om tolken en adviseurs te bekostigen.[15] Zo stelden zij:

“Vanwege de coronamaatregelen is daar kennelijk ook het bankverkeer grotendeels komen stil te liggen. Bovendien heeft de financiering van ziekenhuizen en beschermingsmaatregelen nu, zo hebben wij begrepen, prioriteit, als gevolg waarvan er op dit moment bijvoorbeeld geen tolken kunnen worden betaald. Dat geldt ook voor de overige kosten die wij maken of zouden moeten/willen maken in onderhavige zaak, waaronder begrepen de kosten voor reizen en kosten voor het raadplegen van adviseurs op verscheidene terreinen.”[16]

Indien Pulatov onvoldoende middelen heeft om adviseurs te raadplegen, willen wij hem wijzen op de mogelijkheid om hiervoor een voorschot te vragen bij de griffier op grond van artikel 16 Wet tarieven in strafzaken. Na afloop van de zaak kan Pulatov de rechtbank verzoeken om te worden vrijgesteld van terugbetaling. Als die kosten in het belang zijn geweest van het onderzoek van de rechtbank, blijven ze voor rekening van de Nederlandse staat. Zulke voorschotten zijn eerder uitgekeerd in grote strafzaken van voormalige leden van Afghaanse veiligheidsdiensten en Rwandese genocideverdachte.[17] Over andere financiële beperkingen van zijn verdediging heeft Pulatov zich niet uitgelaten. Bij brief van 16 oktober 2019 aan de rechter-commissaris heeft hij er zelf om gevraagd om geen advocaat aan hem toe te wijzen.[18] Indien Pulatov op enig moment niet meer in staat zou zijn om zijn verdediging te (laten) betalen, heeft hij natuurlijk de mogelijkheid om alsnog om een toevoeging te vragen. Het Openbaar Ministerie heeft hem hier al op gewezen in de toelichting bij de dagvaarding. Daarin hebben wij ook onze ondersteuning aangeboden bij het vinden van gefinancierde rechtsbijstand.[19] Indien Pulatov alsnog in financiële problemen zou komen, geldt dat aanbod onverkort.

Tegen Pulatov zeggen wij dit: als u tegen beperkingen aanloopt in uw verdediging, van welke aard dan ook, willen wij daar rekening mee houden en zo mogelijk kijken of wij kunnen helpen om problemen op te lossen. U moet daarvoor wel duidelijk zijn over de vraag wat de beperkingen zijn. U kunt niet telkens een ander verhaal vertellen over steeds wisselende problemen en verwachten dat de rechtbank op grond daarvan dit strafproces op de lange baan schuift. De coronacrisis heeft wereldwijd ingrijpende gevolgen, maar het is geen monopoliekaart om uit de gevangenis te blijven zonder te betalen.

Vorderingen Openbaar Ministerie en vragen rechtbank

Op 10 juni 2020 hebben wij toegelicht welke vorderingen tot nader onderzoek wij doen. Wij persisteren bij die vorderingen. Uw rechtbank heeft daar op 10 juni nog enkele vragen over gesteld. De verdediging heeft daar op 23 juni op gereageerd.

De verdediging verzet zich tegen het stellen van een termijn aan de verdediging voor een verhoor van Pulatov als getuige, maar dat is een vordering die wij niet meer gedaan hebben op 10 juni. Uw rechtbank heeft daar in maart al afwijzend op beslist en wij hebben de vordering niet herhaald. Daar hoeft dus ook niet op beslist te worden.

Opname M58

Uw rechtbank heeft gevraagd naar de onderbouwing van onze vordering om de rechter-commissaris een samenstelling te laten maken van de audiovisuele opnamen van het verhoor afgelegd bij de rechter-commissaris van M58, waarbij de standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie worden betrokken. De verdediging verzet zich tegen toewijzing van dit verzoek op dit moment omdat zij naar eigen zeggen niet begrijpt “hoe welke delen zouden worden samengesteld”.

De wijze waarop dat kan gebeuren zien wij als volgt voor ons: de rechter-commissaris verzoekt na toewijzing door uw rechtbank de verdediging en het Openbaar Ministerie op te geven welke passages van het verhoor zij opgenomen wensen te zien in de samenstelling. De rechter-commissaris beslist vervolgens of die wensen kunnen worden ingewilligd en laat de opname samenstellen, waarna deze kan worden toegevoegd aan het dossier.

Het belang van het Openbaar Ministerie hierbij is evident. Zoals wij op 10 maart jl. hebben aangegeven, zouden delen van de videoregistratie van het verhoor van M58 ter zitting kunnen worden getoond. De rechter-commissaris heeft bepaald dat de video-opname van het verhoor geen onderdeel uitmaakt van het strafdossier maar wel geraadpleegd kan worden als uw rechtbank dat nodig vindt. Op een vordering van het Openbaar Ministerie heeft de rechter-commissaris bepaald dat de stem en het uiterlijk van M58 onherkenbaar zijn gemaakt tijdens het verhoor. Daarmee is geanticipeerd op het toevoegen van delen uit de verhoorregistratie aan het dossier en het tonen daarvan ter zitting. Dat kan dus gebeuren zonder de veiligheid van de getuige in gevaar te brengen. Het is niet mogelijk de gehele videoregistratie van het verhoor aan het dossier toe te voegen omdat verschillende passages uit het verhoor door of met machtiging van de rechter-commissaris zijn gezwart met het oog op zwaarwegende belangen als bedoeld in art. 149b Sv.

M58 is een getuige voor wie beschermingsmaatregelen zijn getroffen. Het is aan de rechter-commissaris om te beslissen op welke wijze M58 veilig nader gehoord kan worden, maar het is niet te verwachten dat dat door verdediging en Openbaar Ministerie in persoon zal kunnen gebeuren. In maart jl. hebben wij al aangegeven dat wij er vanuit gaan dat M58 met het oog op zijn veiligheid niet ter zitting gehoord kan worden. Het vooraf bekend worden van een plaats en tijd van verhoor ter zitting en de daarbij horende noodzakelijke reisbewegingen vormen daarvoor een te groot risico.[20]

Onze vordering om de rechter-commissaris een samenstelling te laten maken van de audiovisuele opnamen van het verhoor afgelegd bij de rechter-commissaris van M58, met inachtneming van de wensen van verdediging en Openbaar Ministerie op dit vlak, dient aldus twee doelen. In de eerste plaats draagt het bij aan een zo goed mogelijke invulling van de rechten van de verdachte. Kennisname door de verdediging en/of afspelen ter zitting van de videoregistratie van (relevante delen van) het verhoor is een compenserende maatregel die, bijvoorbeeld in samenhang met de mogelijkheid om aanvullende schriftelijke vragen te stellen, kan bijdragen aan een voldoende invulling van het ondervragingsrecht van de verdachte. [21]

In de tweede plaats biedt het de verdediging, het Openbaar Ministerie en desgewenst ook uw rechtbank de mogelijkheid passages uit het verhoor ter zitting te tonen. Dat kan behulpzaam zijn bij het inzichtelijk maken van het proces voor het publiek. Het afspelen ter zitting van relevante delen van een videoregistratie van een getuigenverhoor wordt door het EHRM bovendien gezien als een compenserende maatregel voor de verdachte die meer gewicht in de schaal legt dan alleen de kennisname door de verdediging van die videoregistratie. Het Openbaar Ministerie heeft voorafgaand aan het verhoor van M58 door de rechter-commissaris het onherkenbaar maken van de stem en het uiterlijk van M58 gevorderd met het oog op beide doelen.

Het toewijzen van deze vordering zegt overigens niets over de wijze waarop M58 wel of niet nader gehoord kan worden. Daar kan alleen de rechter-commissaris over beslissen, nadat zij zich op de hoogte heeft gesteld van alle relevante informatie.

Noodzaak tot nader onderzoek

Uw rechtbank heeft ons op 10 juni jl. verder gevraagd uit te leggen waarom het Openbaar Ministerie het gevorderde nader onderzoek wel noodzakelijk vindt in de zaak van Pulatov maar niet in de andere drie zaken. Dat komt omdat het begrip “noodzakelijk” in de artikelen 315, 316 en 318 Sv niet dezelfde betekenis heeft als in het dagelijkse spraakgebruik. We leggen dat uit. Ook hier doen we dat wat uitgebreider dan nodig voor uw rechtbank ten behoeve van een goed begrip van dit proces bij het bredere publiek.

Het Wetboek van Strafvordering kent drie maatstaven voor de beoordeling van de vraag of enig nader onderzoek aangewezen is: het vervolgingsbelang, het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium.[22] Deze drie verschillende criteria corresponderen met drie verschillende perspectieven: het vervolgingsbelang met het perspectief van het Openbaar Ministerie, het verdedigingsbelang met dat van de verdachte en het noodzakelijkheidscriterium met het eigen perspectief van de rechter.[23] Afhankelijk van de toepasselijke maatstaf wordt van de rechter dus verwacht dat hij vorderingen of verzoeken beoordeelt vanuit het perspectief van het Openbaar Ministerie of de verdediging, of juist vanuit de vraag of de rechter zelf, ambtshalve, nader onderzoek nodig vindt.

Het noodzakelijkheidscriterium is bedoeld om de rechter enerzijds een ruime armslag te geven om elk nader onderzoek te gelasten dat hij zelf nodig vindt, maar anderzijds ieder gevraagd onderzoek af te wijzen dat hij niet nodig vindt. Het noodzakelijkheidscriterium is dus niet geformuleerd om de rechter te laten motiveren dat nader onderzoek ook echt noodzakelijk is, maar juist om de rechter een grote ruimte te geven om over nader onderzoek te beslissen zoals de rechter dat het beste vindt.[24] Daarom mag de rechter de noodzakelijkheid van een schouw bijvoorbeeld bespreken in termen van ‘meerwaarde’ voor het onderzoek, zoals rechtbank Limburg deed in de zaak Nicky Verstappen, ondanks dat dat begrip niet geheel aansluit op het begrip noodzaak in het dagelijks spraakgebruik.[25]

In die grote beslissingsruimte die het noodzakelijkheidscriterium biedt, mag (en moet) de rechter alle relevante omstandigheden meewegen: niet alleen de vraag of nader onderzoek inhoudelijk relevant is, maar ook bijvoorbeeld of het (tijdig) uitvoerbaar is.[26] Het is nadrukkelijk niet zo dat de vraag naar inhoudelijke relevantie voorop staat en de rechter zich daarna pas over de uitvoerbaarheid hoeft te buigen. Beide vragen (relevantie en uitvoerbaarheid) zijn even bepalend voor de toewijzing of afwijzing en moeten tegelijkertijd worden gewogen.[27]

De uitvoerbaarheid van het gevorderde nader onderzoek is anders in de zaak van Pulatov dan in de drie verstekzaken. Als uw rechtbank nader onderzoek zou gelasten in alle zaken, kan dat er op het oog toe leiden dat de rechter-commissaris in beginsel op verschillende punten de verdachten in kennis zou moet stellen. Bijvoorbeeld als voor het nader horen van S-getuigen nieuwe 226 Sv procedures doorlopen moeten worden of als deskundigen moeten worden benoemd. In de zaak Pulatov kan dat uiteraard snel gebeuren via zijn raadslieden. Voor de verstekzaken ligt dat anders en zouden we dan zijn aangewezen op rechtshulp met de Russische Federatie. De ervaring leert dat dit niet steeds even spoedig verloopt. Op eerdere rechtshulpverzoeken tot uitreiking van stukken uit oktober 2019 hebben wij pas eind januari en medio februari 2020 antwoord ontvangen. De uitvoerbaarheid van nader onderzoek kan dus wezenlijk verschillen voor de zaak Pulatov en de verstekzaken. Dat is een eerste belangrijke reden waarom nader onderzoek wel noodzakelijk kan worden geacht in de zaak Pulatov maar niet in de verstekzaken.

Wij merken hierbij op dat het maar de vraag is of de wet daadwerkelijk vereist dat verdachten in verstekzaken in kennis worden gesteld van nader onderzoek door de rechter-commissaris dat tussen de zittingen wordt verricht. De drie ‘verstekverdachten’ hebben er immers voor gekozen niet te participeren in het strafproces en uw rechtbank heeft op grond van artikel 280 lid 1 Sv bevolen dat hun zaken buiten hun aanwezigheid worden voortgezet. Dat betekent dat zij niet deelnemen aan het onderzoek buiten hun aanwezigheid, [28] wat impliceert dat zij ook niet in kennis hoeven te worden gesteld van nader onderzoek. De wet bevat echter geen expliciete voorschriften hierover, en wij hebben ook geen jurisprudentie kunnen vinden die deze vraag definitief beslecht. Dat maakt dat nader onderzoek in de verstekzaken een risico op grote vertragingen meebrengt, afhankelijk van de vraag hoe de rechter-commissaris de wet interpreteert. Dat is de eerste reden.

De tweede reden betreft de relevantie van het gevorderde onderzoek. In de zaak van Pulatov is het goed denkbaar dat nog inhoudelijk debat volgt over de bevindingen uit het forensisch onderzoek: de beroeting, de perforaties, de verdeling van de schade over het vliegtuig. In dat geval denken wij dat het meerwaarde heeft als de procesdeelnemers de reconstructie van de wrakstukken zelf hebben kunnen zien. Debat tussen Openbaar Ministerie en de verdediging zal er niet zijn in de drie verstekzaken. Een schouw van de wrakstukken heeft daarom in die zaken niet dezelfde relevantie. Voor nader onderzoek naar getuigenverklaringen en beeldmateriaal kan hetzelfde gelden: dat kan nuttiger (of ‘noodzakelijker’) zijn in een zaak waarin debat over de waarde van die bewijsmiddelen verwacht wordt dan in een verstekzaak. Nader onderzoek kan noodzakelijk geacht worden om verwacht debat op zitting te voorkomen, te verkorten of te verduidelijken - ook als de rechter dat nader onderzoek niet noodzakelijk vindt met het oog op te nemen beslissingen over het bewijs.[29] Natuurlijk kijken het Openbaar Ministerie en uw rechtbank ook in de verstekzaken kritisch naar het bewijs in het dossier. Maar de wijze waarop de zitting invulling krijgt is anders, dus kan ook de voorbereiding van die zitting anders zijn.

Afsluitend: er zijn goede redenen om in het vorderen en toewijzen van nader onderzoek onderscheid te maken tussen de zaak van Pulatov en de drie verstekzaken. Die redenen betreffen de uitvoerbaarheid en de relevantie van het gevorderde onderzoek. De drie andere verdachten worden door dit onderscheid niet benadeeld, omdat eventueel ontlastende resultaten alsnog in hun dossiers kunnen worden gevoegd en zij zelf nog ieder gewenst nader onderzoek kunnen verzoeken als zij later besluiten alsnog in hun strafzaak te willen participeren. 

Bruikbaarheid verklaring X48

De laatste vraag die uw rechtbank aan het Openbaar Ministerie heeft gesteld op 10 juni jl. betreft de bruikbaarheid van de verklaring van getuige X48 in de zaken van Girkin en Dubinskiy. Het verhoor van de getuige X48 is door het Openbaar Ministerie gevorderd in de zaak van een (niet-geïdentificeerde, ofwel) NN-verdachte bij de rechter-commissaris op 15 januari 2016. Op dat moment waren Girkin en Dubinskiy al als verdachten aangemerkt.

Als de zittingsrechter geconfronteerd wordt met de vraag of een verklaring van een bedreigde anonieme getuige wel voor het bewijs mag worden gebruikt, is de maatstaf voor de beoordeling daarvan of aan de gevolgde procedure “zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien op de voet van art. 226d Sv afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces”. [30] Volgens Keulen kan een situatie waarin fundamentele gebreken kleven aan de toekenning van de status van bedreigde getuige zich vooral voordoen als informatie boven water komt waaruit blijkt dat de getuige eigenlijk niets te vrezen had.[31] Daarvan is in deze zaak duidelijk geen sprake.

Dat Girkin en Dubinskiy niet vooraf over de statusverlening aan getuige X48 zijn gehoord, kan in ieder geval niet worden aangemerkt als een fundamenteel gebrek. Artikel 6 EVRM stelt geen eisen ten aanzien van het horen van een verdachte of zijn raadslieden voorafgaand aan de statusverlening of het verhoor van een anonieme bedreigde getuige. Het EHRM toetst wel inhoudelijk of nationale autoriteiten hun beslissing om anonimiteit te verlenen baseren op goede gronden, maar stelt geen procedurele eisen aan de wijze waarop die beslissing tot stand komt.[32] In Nederland is al eerder beslist dat verklaringen van bedreigd anonieme getuigen voor het bewijs kunnen worden gebruikt terwijl de verdachte niet voorafgaand aan de statusverlening was gehoord, bijvoorbeeld in de zaak Bouterse. [33]

Zoals wij op 10 juni jl. hebben toegelicht heeft de rechter-commissaris Girkin en Dubinskiy uitgenodigd voor een bijeenkomst om achteraf een standpunt kenbaar te maken over de statusverlening aan alle bedreigde getuigen, inclusief X48, maar hebben zij daar zelf vanaf gezien.

Girkin en Dubinskiy kiezen er voorts zelf voor om niet te participeren in dit proces. Van een schending van het ondervragingsrecht is dus geen sprake, want dat recht kan nu nog steeds worden uitgeoefend: de verdachten moeten dat alleen zelf wel willen uitoefenen.

Volledigheidshalve merken wij op dat voor X48 in relatie tot de verdachten Girkin en Dubinskiy verder hetzelfde geldt als voor de getuige V11: X48 verklaart niet over Girkin en Dubinskiy en er was geen verwachting dat dat wel zou gebeuren. De wet kent geen vereiste om in grootschalige onderzoeken met vele betrokken personen 226a vorderingen te doen in de zaken van alle verdachten. Wij zien dus niet in waarop gebaseerd zou kunnen worden dat de vordering inzake X48 specifiek op naam van Girkin en Dubinskiy had moeten worden ingediend.

De enige vraag die uw rechtbank moet beantwoorden om te beslissen over de bruikbaarheid van de verklaring van X48 is echter de vraag naar fundamentele gebreken in de procedure. De statusverlening door de rechter-commissaris is immers onherroepelijk en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat in de weg aan een herbeoordeling van de gevolgde procedure als zodanig. Het Openbaar Ministerie ziet geen fundamentele gebreken en acht de verklaring van X48 daarom bruikbaar voor het bewijs in de zaken van alle verdachten.

Inzageverzoeken gericht aan het Openbaar Ministerie

De verdediging heeft het Openbaar Ministerie op grond van artikel 34 lid 2 Sv verzocht om afschrift te verstrekken van tientallen stukken die zich niet in het procesdossier bevinden.[34]

Het is goed dat Pulatov zichzelf inmiddels in staat acht om dit verzoek te doen. Hieruit spreekt een kritische houding en een voldragen kennis van het dossier bij Pulatov en zijn raadslieden. Door kennisneming van bepaalde stukken die niet in het dossier zitten, kan de verdediging beoordelen of zij concrete redenen ziet om uw rechtbank te verzoeken om die stukken op grond van artikel 315 Sv aan het dossier te laten toevoegen. Tijdens ons tweede gesprek op het kantoor van de raadslieden, op 21 februari 2020, hebben wij al gesproken over de mogelijkheden van inzage in stukken die niet aan het dossier zijn toegevoegd. Ten behoeve van eventuele inzageverzoeken heeft het Openbaar Ministerie al op 23 maart jl. een schriftelijk overzicht verstrekt van beschikbare tapgesprekken van Pulatov die niet aan het dossier zijn toegevoegd. Deze inzagemogelijkheid hebben wij verder benoemd in een brief van 1 mei jl. en op de zittingen van 10 maart jl[35] een 10 juni jl.[36]

De inzageverzoeken zijn gericht aan het Openbaar Ministerie. Uw rechtbank heeft bij beslissing van 23 maart jl. de rechter-commissaris aangewezen om – bij meningsverschil tussen de Openbaar Ministerie en de verdediging – in eerste instantie over inzage te beslissen. Na beslissing van de rechter-commissaris kon een inzagegeschil eventueel alsnog aan de rechtbank worden voorgelegd. Uw rechtbank heeft daarbij uitgelegd dat een rechter-commissaris, die niet over de zaak zelf beslist, zelf kennis kan nemen van stukken die zich nog niet in het dossier bevinden en in zoverre een beter geïnformeerde beslissing kan nemen dan de zittingsrechter. U concludeerde daarom dat het aangewezen is dat de rechtbank bij het nemen van dergelijke beslissingen de rechter-commissaris betrekt. Wij nemen aan dat dat nog steeds geldt.

Deze zitting leent zich dus niet voor een volledige bespreking van alle inzageverzoeken. Wij zullen de inzageverzoeken van de verdediging met welwillendheid bekijken en daaraan zo veel als redelijkerwijs mogelijk is voldoen. Als wij bijvoorbeeld de eerste negen inzageverzoeken bezien, constateren wij dat een van die gevraagde stukken zich al in het dossier bevindt, en dat wij het verzoek om inzage in de andere acht stukken kunnen inwilligen. Van twee van de inzageverzoeken kunnen wij nu al zeggen dat we dat niet kunnen inwilligen, zodat een verzoek daarover nu nog aan uw rechtbank kan worden gedaan: wij beschikken niet over het op de overzichtslijst[37] onder nummer 23 genoemde rapport van Almaz-Antey[38] een ook niet over de onder nr. 30 genoemde radargegevens.

Wij zullen een volledige inventarisatie van de inzageverzoeken maken en onze beslissingen daarop aan de verdediging doen toekomen zodra die gereed zijn. Wij verwachten dat we dat binnen twee weken kunnen doen. Afschrift van de beslissing van het Openbaar Ministerie op de inzageverzoeken zullen wij aan de rechter-commissaris en uw rechtbank toezenden. Daarbij gaan wij er vanuit dat uw rechtbank, in lijn met uw beslissing van 23 maart jl., de zaak van Pulatov wederom naar de rechter-commissaris zal verwijzen voor eventuele beslissingen over inzage bij verschil van inzicht tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging.

Toetsingskader onderzoekswensen

Pulatov heeft een groot aantal onderzoekswensen geformuleerd. De wet schrijft voor hoe die onderzoekswensen gedaan en beoordeeld moeten worden. Uw rechtbank heeft eerder naar die regels, en jurisprudentie daarover, verwezen.[39] Daarbij heeft u terecht opgemerkt dat de eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat verzoeken die in het kader van een regiezitting worden gedaan weliswaar formeel aan het noodzakelijkheidscriterium moeten worden getoetst maar dat de toepassing daarvan niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang. Deze regel vloeit voort uit een arrest van de Hoge Raad 19 juni 2007[40] en is nog eens herhaald in het overzichtsarrest inzake het oproepen en horen van getuigen ter zitting op verzoek van de verdediging van 1 juli 2014[41]. Deze jurisprudentie ziet op verzoeken tot het horen van getuigen en deskundigen. Andersoortige verzoeken, zoals het opmaken van een deskundigenrapport, kunnen niet gelijk worden gesteld met het verzoek tot horen van een getuige of deskundige en voor dat soort verzoeken blijft dus het ‘gewone’ noodzaakscriterium gelden.[42] Dat betekent dat uw rechtbank bij verzoeken anders dan het horen van getuigen en deskundigen meer ruimte heeft om het verzoek af te wijzen op de grond dat u zich op dat punt voldoende voorgelicht acht. Wat u noodzakelijk nader onderzoek moet vinden wordt natuurlijk mede bepaald door uw taak om een eerlijk proces te garanderen voor de verdachte. Aan de motivering van verzoeken waarop het ‘gewone’ noodzaakscriterium van toepassing is, worden echter hogere eisen gesteld dan aan de motivering van verzoeken die materieel beheerst worden door het verdedigingsbelang. Bij het eerste staat de vraag naar relevantie voor de waarheidsvinding centraal, bij het tweede staat het perspectief van de verdediging op de voorgrond.

Wij zullen in onze reactie regelmatig stilstaan bij de vraag welke wettelijke eisen gelden bij de beoordeling van de door de verdediging geformuleerde onderzoekswensen, en wat de uitkomst is van een toetsing van het verzoek aan die eisen.

Die uitkomst is dat de onderzoekswensen van Pulatov voor het overgrote deel moeten worden afgewezen. Dat heeft alles te maken met de keuzes die Pulatov heeft gemaakt om geen getuigen te vragen over het belastende bewijs tegen hem, veel getuigen te vragen zonder concreet toe te lichten welke relevante informatie die getuigen zouden kunnen geven en door een aanzienlijk aantal getuigen te vragen op grond van een lezing van het dossier die feitelijk onjuist is. Een verdachte heeft in het Nederlandse strafproces veel ruimte om relevant nader onderzoek toegewezen te krijgen. Hij kan in ruime mate nader onderzoek laten doen naar belastend bewijs. Aan het ondervragen van belastende getuigen worden bijvoorbeeld weinig eisen gesteld, als hij daar tijdig om vraagt. Hij kan ook nader onderzoek laten doen naar een alternatief scenario, als hij daartoe voldoende specifieke en onderbouwde onderzoekswensen formuleert.

Voor alle onderzoekswensen geldt dat deze voldoende stellig en duidelijk moeten zijn en behoorlijk dienen te zijn gemotiveerd.[43] Ongeacht het toepasselijke criterium en de invulling daarvan dient elk tot de zittingsrechter gericht verzoek tot nader onderzoek te worden gemotiveerd teneinde de rechter in staat te stellen de relevantie van dat verzoek in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te beoordelen. De aan het verzoek te geven motivering dient een toelichting te omvatten waarom het nadere onderzoek van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing.[44] Indien bijvoorbeeld niet wordt aangevoerd over welke punten de getuige moet worden ondervraagd, geen betwisting wordt gegeven van de door de bij de politie afgelegde verklaring of geen duiding wordt gegeven van de relevantie van hetgeen de getuige zou kunnen verklaren is een verzoek onvoldoende onderbouwd.[45] Een uitvoerige toelichting van de redenen waarom de verdediging bijvoorbeeld hecht aan het horen van de getuige, is ook niet zonder meer toereikend.[46] De rechter zal pas kunnen concluderen dat de onderbouwing aan de maat is wanneer de aangedragen argumenten hem doen inzien dat en waarom het onderzoek relevant is voor de uitkomst van de zaak.[47]

Wat een verdachte uitdrukkelijk niet heeft, is een onbeperkt recht om al het onderzoek dat is verricht in algemene zin te laten controleren of overdoen. Het Hof Amsterdam formuleert dat bijvoorbeeld als volgt:

“Van de zijde van de verdediging is in het kader van de toelichting op de verzoeken meermalen gewezen op het beginsel van “equality of arms”. […] Anders dan de raadsman kennelijk lijkt te veronderstellen, betekent dit niet dat de verdachte aanspraak kan maken op kennisneming van alle informatie die als resultaat van opsporing is verkregen. Evenmin impliceert dit een onbegrensd recht op ondervraging of bevraging van de ambtenaren die bij opsporing en vervolging zijn betrokken. […] Anders gezegd, het recht van de verdachte om in de gelegenheid te worden gesteld om methoden en resultaten van onderzoek te betwisten, valt niet samen met een ongeclausuleerd recht om deze te controleren. Van deze gelijkstelling lijkt de raadsman bij de formulering van en toelichting op zijn verzoeken wel te zijn uitgegaan. Ten onrechte.”[48]

Een ongeclausuleerd recht om het opsporingsonderzoek te controleren is precies wat Pulatov u vraagt. In de toelichting wordt herhaaldelijk gesproken over een wens het opsporingsonderzoek te controleren, verificatieonderzoek, onderzoek waarvan het een open vraag is of dat wel of niet nuttige informatie gaat opleveren en ‘nader onderzoek om te beoordelen speculaties kunnen worden omgezet in feiten of niet’.[49] De raadslieden geven ook meer dan eens aan dat zij zelf niet geloven in de scenario’s waarnaar zij onderzoek of vragen[50] of de getuigen die zij willen laten horen, dat het gaat om theoretische mogelijkheden[51] of om scenario’s die ‘onwaarschijnlijk klinken’.

Noch in het Nederlandse systeem[52] noch onder het EVRM[53] kan zulk algemeen ‘controle’ onderzoek of speculatief onderzoek naar theoretische mogelijkheden worden toegewezen als een verdachte niet eens een poging doet om zijn verzoeken te specificeren en voldoende concreet te onderbouwen. Een verdachte die onderzoek wil laten doen naar een alternatief scenario moet motiveren dat dat scenario een begin van aannemelijkheid heeft.[54] Wie beschikt over de geluidsbestanden van belastende tapgesprekken, zoals Pulatov doet, kan zelf de vertaling van die tapgesprekken laten controleren. Vervolgens kan hij wijzen op voorbeelden van passages die in zijn ogen verkeerd zijn vertaald, als er reden is om aan de vertalingen te twijfelen. Wie dat niet doet, en dus niet concreet onderbouwt dat er reden is om te twijfelen aan de vertalingen in het dossier terwijl hij daar wel alle gelegenheid voor heeft, heeft geen belang bij algemeen geformuleerde verzoeken om tolken te horen over de manier waarop zij hun werk hebben gedaan.[55] Wie er voor kiest om geen inzage te vragen in bijvoorbeeld alle tapgesprekken van een bepaalde persoon in een relevante periode maar wel verzoekt om alle tapgesprekken en alle metadata, kiest er zelf voor om alleen verzoeken te doen die volgens de wettelijke criteria geweigerd moeten worden omdat zij aangemerkt moeten worden als ongespecificeerde fishing expeditions.

Het is dus een keuze van Pulatov om vele verzoeken te doen die evident niet toegewezen kunnen worden. Het is ook zijn eigen keuze om vele verzoeken niet te doen die wel toegewezen hadden kunnen worden – bijvoorbeeld verzoeken om belastende getuigen te doen ondervragen nu daarvoor nog gelegenheid is zonder het proces te vertragen.

De verzoeken die Pulatov doet en de wijze waarop hij die toelicht staan soms zo ver af van hetgeen de wet vereist dat de vraag rijst of het wel zijn bedoeling is om het gevraagde onderzoek te laten uitvoeren. Sommige verzoeken lijken eerder bedoeld om te illustreren dat er in dit proces grenzen zijn aan hetgeen onderzocht kan worden. Een goed voorbeeld betreft het verzoek om onderzoekers van de OVV als getuigen te horen. In de toelichting daarop verwijst de verdediging zelf al naar de regelgeving die geldt voor de verhouding tussen onderzoek van de OVV en strafrechtelijk onderzoek. De verdediging weet dus dat de Nederlandse wet bepaalt dat onderzoekers van de OVV niet als getuigen kunnen worden opgeroepen in een strafproces.[56] Die bepaling is er opdat de OVV goed zijn werk kan doen en niet wordt geconfronteerd met weigering van medewerking door personen die bang zijn dat zij als gevolg van OVV onderzoek later strafrechtelijk veroordeeld worden. Pulatov doet dit verzoek in de wetenschap dat het niet kan worden toegewezen.

Bij andere verzoeken is de onderbouwing zo geformuleerd dat ook daar de vraag rijst of er eigenlijk wel een echte wens tot nader onderzoek bestaat. Neem nu de stelling van Pulatov dat onderzoek naar het niet sluiten van het luchtruim nodig is met het oog op “een noodweer verweer en in het uiterste geval in verband met een strafmaat verweer”. Pulatov is een verdachte die in maart heeft aangegeven iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit te ontkennen. Hij is ook een verdachte die zelf naar een buurland is gereisd om daar de wapens op te nemen tegen de overheid. Dat alleen al maakt een beroep op noodweer uiterst onwaarschijnlijk: hij heeft zichzelf immers zonder recht of reden in een gewapend conflict begeven tegen de rechtmatige overheid van een ander land. Er is verder geen enkel concreet aanknopingspunt in het dossier dat aanleiding kan zijn voor een onderzoek naar een noodweersituatie. Wij hebben er in maart al op gewezen dat voor onderzoekswensen als dit een verklaring van Pulatov wel een aanleiding zou kunnen vormen maar een bloot verzoek van zijn raadslieden niet.[57] Nu benadrukt de raadsman van Pulatov ter zitting bij het doen van dit verzoek nog eens dat een noodweer verweer op dit moment alleen ‘nog maar theorie’ is. [58] Terwijl ook deze raadslieden heus wel weten dat onderzoekswensen naar theoretische mogelijkheden die in strijd zijn met hetgeen de verdachte zelf stelt en waarvoor verder geen enkel aanknopingspunt bestaat nooit worden toegewezen. Ook niet voor onderzoek naar vragen die wel begrijpelijk zijn maar niet relevant voor deze strafzaak. 

Wat de beweegredenen ook zijn van Pulatov om deze strategie te kiezen, zij kunnen geen reden zijn om af te wijken van het wettelijk beoordelingskader voor onderzoekswensen. De wettelijke regels over vorderingen en verzoeken tot nader onderzoek hebben een belangrijke functie. Zij bieden een richtinggevend kader aan de rechter om de afweging te maken tussen de verschillende rechten en belangen die in strafprocessen moeten worden gewogen. Dat zijn met name het recht van de verdachte op een eerlijk proces, het recht van verdachte en nabestaanden op een voortvarend proces en het belang van de samenleving bij een doelmatig ingerichte strafrechtspleging. Er is voor de rechter geen ruimte om een eigen invulling te geven aan de wettelijke regels. Dat zou ten koste gaan van de rechtsgelijkheid tussen verdachten. Het zou ook ten koste gaan van de genoemde belangen. Wie minder nader onderzoek toestaat dan de wet vereist benadeelt de verdachte, maar de rechter die meer nader onderzoek toewijst dan de wet vereist benadeelt de nabestaanden en de goede inrichting van de strafrechtspleging. De wet moet dus worden toegepast zoals bedoeld. Waar motivering wordt vereist, moet gemotiveerd worden. Waar de wet een begin van aannemelijkheid vraagt om nader onderzoek toe te wijzen, kan niet worden volstaan met de mededeling dat onderzoek gevraagd wordt naar een theoretische mogelijkheid die de verdediging graag wil onderzoeken.[59]

Uit oogpunt van efficiëntie hebben wij wel steeds gezocht naar manieren waarop verzoeken van de verdediging zo opgevat kunnen worden dat zij tenminste deels voor toewijzing in aanmerking komen, of gezocht naar alternatieven die tegemoet komen aan de bedoeling die de verdediging blijkbaar heeft.

Reactie op Air to air scenario

In delen 2 en 3 van de pleitaantekeningen heeft Pulatov verzoeken gedaan die in de breedste zin zien op onderzoek naar de mogelijkheid dat MH17 is neergeschoten met een gevechtsvliegtuig. Pulatov noemt dit het ‘war plane scenario’.

Inleiding

Zoals wij hiervoor al aangaven, kunnen deze verzoeken alleen worden toegewezen als het te onderzoeken alternatieve scenario een begin van aannemelijkheid heeft.[60] Dat laat geen ruimte voor speculatie: het uiteindelijke verweer dat MH17 is neergeschoten met een gevechtsvliegtuig moet op voorhand wel enige kans van slagen hebben.[61] Onderzoekswensen die in de sleutel staan van een evident en op voorhand kansloos verweer moeten worden afgewezen.

De aanwijzingen voor het alternatieve scenario dat MH17 is neergeschoten zijn uitvoerig beschreven in het dossier. Daar heeft Pulatov niets nieuws aan toegevoegd. Die aanwijzingen zijn onverenigbaar met ander bewijs in het dossier, zoals het schadebeeld van MH17, de vondst van vastgeklemde vliegtuigvreemde delen in de wrakstukken en de lichamen van de slachtoffers, de opname van de Cockpit Voice Recorder en de radargegevens. Om nog maar te zwijgen over de tapgesprekken, getuigenverklaringen, video’s en foto’s, satellietbeelden, waarnemingen van journalisten en sociale mediaberichten, waaruit volgt dat MH17 is neergeschoten met een Buk-raket. Voor het door Pulatov gevraagde onderzoek naar de theorie dat MH17 is neergeschoten door een gevechtsvliegtuig zal hij moeten onderbouwen hoe het door hem geschetste scenario een begin van aannemelijkheid heeft in het licht van al dat andere bewijs.

Als we dan verder kijken naar wat Pulatov wél naar voren brengt onder de kopjes ‘warplane scenario’, dan moeten we vaststellen dat Pulatov niet eens stelt dat het gevraagde onderzoek dient ter onderbouwing van een concreet alternatief verweer van een gevechtsvliegtuig. In plaats daarvan houdt hij het op brede voorverkenningen, die zelfs ook gericht zijn op het scenario van een Buk-raket. Zo stelt Pulatov bijvoorbeeld: “De resultaten van ons onderzoek kunnen informatie geven in verband met de vraag of er een gevechtsvliegtuig en/of raket in de buurt van vlucht MH17 was of waren en wat, zo nee, dat betekent voor de vraag of er een gevechtsvliegtuig is geweest". Hier dient het gevraagde onderzoek niet ter onderbouwing van een concreet verweer, maar voor de beantwoording van zijn eigen, persoonlijke beoordeling of hij dit verweer later wel óf niet zal voeren. Daar is gerechtelijk onderzoek niet voor bedoeld. In andere gevallen zegt Pulatov zelf dat zijn verzoek het niveau van speculatie niet ontstijgt. Zoals: “De verdediging wenst in deze fase van het strafproces hier niet over te speculeren maar juist door middel van nader onderzoek [te] beoordelen of speculaties kunnen worden omgezet in feiten of niet”. Zoals wij net al zeiden, kunnen verzoeken tot nader onderzoek niet worden toegewezen als die nog op speculatie berusten. Voor al deze verzoeken geldt dat Pulatov ze doet ten behoeve van een mogelijk te voeren verweer dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar het air to air scenario of dat dit alternatieve scenario niet kan worden uitgesloten. Dat is toch echt iets anders dan een verzoek om nader onderzoek te doen ter onderbouwing van een concreet alternatief scenario, dat Pulatov zelf aannemelijk vindt. Ook daarom schiet de motivering van deze verzoeken tekort.

In aanvulling op deze constatering zullen wij verschillende verzoeken nog afzonderlijk bespreken, die Pulatov onder de noemer van het ‘warplane scenario’ heeft gedaan.

Getuigen over ‘aanwezigheid gevechtsvliegtuig(-en)’

In de eerste plaats wenst Pulatov een groot aantal getuigen te horen “teneinde een mogelijk te voeren verweer (dat het warplane scenario niet is uit te sluiten, althans onvoldoende is onderzocht c.q. te gemakkelijk is afgewezen) te kunnen onderbouwen”. De meeste van deze getuigen zijn al eerder gehoord. Hun verklaringen zitten in het dossier.

Zijn samenvatting van deze getuigenverklaringen geeft geen realistisch beeld van de inhoud van het dossier. Wij geven daarvan enkele voorbeelden:

  • Getuige A26 zegt niet dat hij twee straaljagers in de lucht zag, maar dat hij twee straaljagers hoorde. Wat hij in de lucht zag, verklaart hij ook: “een spoor van een vliegtuig of een raket, dat weet ik niet”.
  • Getuige S09 heeft wel verklaard telefoontjes te hebben gekregen van bekenden die vertelden dat in hun nabijheid een SU was neergestort maar heeft niet, zoals Pulatov zegt, verklaard dat hij van anderen heeft gehoord dat die gevechtsvliegtuigen hebben waargenomen in de nabijheid van MH17. S09 heeft verder verklaard dat op weg naar de crash site meerdere vertegenwoordigers van de DPR vertelden dat zij een vliegtuig hadden neergeschoten en dat dat op de crash site een burgervliegtuig bleek te zijn in plaats van een militair vliegtuig;
  • Getuige S11 heeft weliswaar verklaard een gevechtsvliegtuig te hebben gezien, maar heeft ook verklaard gezien te hebben dat MH17 eerst vanaf de grond en later door een vliegtuig werd neergeschoten, en dat hij een spoor in de lucht zag dat op die van een BUK-raket leek.
  • Getuige S14 is iemand die zich bekend heeft gemaakt als een DPR-strijder en een telefonische verklaring heeft afgelegd. Hij verklaart aanvankelijk weliswaar dat aan hem is gerapporteerd dat MH17 is neergeschoten door een Oekraïens gevechtsvliegtuig, en dat is het stukje dat Pulatov aanhaalt in zijn samenvatting, maar bij doorvragen zegt hij dit:

“Getuige: Hij rapporteerde dit aan mij in de 2de helft van de dag. Hij rapporteerde mij als volgt "er werd een raket afgeschoten vanuit een BUK-systeem" Dus als wij er van uitgaan van dat wat hij als allereerste zei dan heeft hij gezegd dat het Oekraïense leger een raket vanuit een BUK- systeem heeft afgevuurd en heeft een Oekraïens vliegtuig neergeschoten.

Vraag tolk: En heeft een Oekraïens vliegtuig neergeschoten? [in het RU]

Getuige: Nee, het Oekraïense leger heeft een burgervliegtuig neergeschoten.

Vraag verbalisant: Oké, maar begrijp ik nu toch van u dat u zegt dat het vliegtuig MH17 met die 298 slachtoffers is neergeschoten door een BUK-systeem, alleen dat BUK-systeem dat was in bezit en gebruikt door het Oekraïense leger? Is dat wat u zegt?

Getuige: Dat is juist, dat is juist.”

Getuige Orjollet heeft niet, zoals Pulatov zegt, verklaard dat hij van anderen heeft gehoord dat die gevechtsvliegtuigen hebben waargenomen in de nabijheid van MH17. Hij verklaart inderdaad over mensen die iets hebben gezegd over warplanes, maar daarbij zegt hij expliciet dat die mensen niet hebben gezien wat er is gebeurd met MH17 en dat hun opmerkingen over gevechtsvliegtuigen (onbekend over welke datum die gingen) geen verband hielden met MH17.

Dat een aanvullend verhoor van zulke getuigen nuttige informatie kan opleveren over het air to air scenario is zacht gezegd niet vanzelfsprekend. Pulatov maakt ook nergens concreet wat een aanvullend verhoor van al die gevraagde getuigen nog voor relevante informatie zou kunnen toevoegen.

Let wel: er is met grote welwillendheid best een getuige aan te wijzen in dit rijtje van wie een verhoor in enige mate relevant zou kunnen zijn. Als Pulatov aangeeft dat hij getuige S09 wil horen over zijn waarnemingen kort na het neerschieten van MH17, bijvoorbeeld, zullen we ons daar niet tegen verzetten.

Haisenko en Biederman zijn gepensioneerden die vanuit Duitsland het nieuws hebben gevolgd: een is ex-piloot en de ander ex-militair. Zij zijn geen getuigen die kunnen verklaren over relevante eigen waarnemingen. Zij hebben zich een mening gevormd over hetgeen er met MH17 is gebeurd op basis van beeldmateriaal. Haisenko is door het JIT gehoord om te bezien of hij beschikte over relevante informatie. Dat bleek niet het geval, zodat zijn verklaring niet in het procesdossier is gevoegd. Wij zullen die verklaring ter inzage aan de verdediging verstrekken zodat de verdediging kan bezien of zij om toevoeging aan het dossier wenst te verzoeken. Omdat Haisenko en Biederman niet naar een eigen waarneming, maar uitsluitend om een beoordeling kan worden gevraagd, zou Pulatov hen als deskundigen moeten verzoeken, en niet als getuigen. Het is echter niet duidelijk op welke basis deze twee heren als deskundigen zouden kunnen worden aangemerkt.

M. Bociurkiw van de OVSE heeft nooit gezegd van mening te zijn dat wrakstukken van MH17 “schade vertonen van boordkanonnen”, zoals de verdediging stelt. Hij heeft in een interview eind juli 2014 gezegd enkele wrakstukken te hebben gezien met wat “almost looks like machine gun fire, very very strong machine gun fire.” Gevraagd naar die uitlating heeft hij enkele dagen later al weer gezegd tegenover de Moscow Times:

“’I was just trying to describe what we saw – unique holes. As we are not experts we cannot draw any conclusions, nor can we possibly say how they were caused,’ he said.”[62]

Nog daargelaten dat deze OVSE waarnemer terecht opmerkt dat hij geen wapendeskundige is, heeft het dus geen zin om hem als getuige te horen over een bewering die hij niet gedaan heeft, zoals al sinds augustus 2014 bekend is. Te meer omdat alle wrakstukken en foto’s van wrakstukken beoordeeld zijn door deskundigen die daarin geen schade hebben gezien die past bij een boordkanon.

Voor veel getuigen geldt verder dat er goede redenen waren om geen nader onderzoek te doen naar hun verklaringen. Getuige Shklyarenko verklaarde bijvoorbeeld dat een gevechtsvliegtuig MH17 heeft neergeschoten met twee schoten in zijn rechterflank. Dat is niet verenigbaar met de vaststelling dat de schade aan MH17 is geconcentreerd aan de linkerkant van het vliegtuig. Getuige S34 heeft verklaard dat hij heel boos is op Oekraïne vanwege de dood van zijn broer, en dat hij een dag na de dood van zijn broer heeft gezien hoe MH17 werd neergeschoten door één of twee straaljagers. Hij kan niet zeggen of het er één of twee waren. Zijn broer is gestorven op 28 juni 2014.

Door deze getuigenverzoeken af te wijzen zegt uw rechtbank nog niets over beoordeling van het bewijs. U bent ook na afwijzing nog steeds in de positie om het bewijs te wegen en later een oordeel te vellen over de verschillende scenario’s. Het enige dat u er op dit moment mee zegt is dat er geen reden is om nu vele getuigen te gaan horen ten behoeve van een mogelijk verweer dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar een alternatief scenario dat de verdachte (nog) niet tot de zijne heeft gemaakt. Een alternatief scenario bovendien dat in het opsporingsonderzoek zeer uitgebreid is onderzocht en door het JIT is verworpen op meerdere gronden die uitvoerig staan beschreven in het dossier.

Radar

Dan komen wij bij de verzoeken van Pulatov met betrekking tot radaronderzoek. Ook die zijn gedaan in de sleutel van het air to air scenario.

Pulatov heeft zelf niet gesteld, laat staan gemotiveerd, dat dit scenario een begin van aannemelijkheid heeft. Volgens Pulatov zou dit onderzoek “hopelijk [kunnen] leiden tot méér duidelijkheid over de (beschikbaarheid van) primaire radarbeelden” en zouden de resultaten ervan “informatie kunnen geven in verband met de vraag of er een gevechtsvliegtuig en/of raket in de buurt van vlucht MH17 was of waren en wat, zo nee, dat betekent voor de vraag of er een gevechtsvliegtuig kan zijn geweest”. Kennelijk wenst Pulatov “méér duidelijkheid” dan het dossier al verschaft over de beschikbaarheid en de beoordeling van radarbeelden en ‘hoopt’ hij er slechts op dat nader onderzoek nieuwe radargegevens en inzichten zullen opleveren. Nergens wordt uitgelegd hoe deze gehoopte onderzoekresultaten het beschikbare bewijs dat MH17 is neergeschoten met een Buk-raket zouden kunnen ontzenuwen. 

Maar ook als over dit motiveringsgebrek zou worden heengestapt, zien wij geen redelijk belang bij het toewijzen van deze verzoeken. Die zijn enerzijds gericht op de beoordeling van de verkregen radargegevens en anderzijds op de beschikbaarheid van aanvullende radargegevens.

Pulatov wenst nader onderzoek te doen naar de mogelijkheid om Oekraïense radargegevens te verkrijgen die het JIT en het Openbaar Ministerie eerder niet hebben kunnen verkrijgen. In het kader van dat onderzoek is er verzocht om getuigenverhoren en de verstrekking van afschrift van radardata van verschillende Oekraïense radarsystemen.

Het verhoorverzoek ziet op getuigen Demchyk, militair historicus Klep, onderhoudsmonteurs Bocheliuk, Chuiashenko, Gryschenko en Zemlianskyi, een zekere Volkov en luchtverkeersleiders Alshyn, Babich, Kalinichenko, Kaplynov, Klets, Kuznetsov, Lazareva, Maksymenko, Petrenko, Polyakov, Salatov, Sitnikov, Skyba, Sokolenko en Yevtushenko. Met uitzondering van historicus Klep en een voormalig luchtverkeersleider Volkov zijn al deze getuigen al eerder door het JIT gehoord over de beschikbaarheid van Oekraïense radargegevens. Onduidelijk is welke concrete vragen Pulatov nog zou willen stellen, die de gehoorde getuigen niet al eerder beantwoord hebben.

Volgens de verdediging werkte Volkov “met UkSATSE radarsytemen bedoeld voor de begeleiding van passagierstoestellen” die “op 17 juli 2014 uitstonden” . Hierbij verwijst zij naar een open bron waarin juist wordt toegelicht dat dit niet waar is.[63] Verder wordt in die bron geschreven dat Volkov in 2014 gearresteerd is wegens het doorspelen van informatie over militaire vluchten aan de separatisten en de Russische inlichtingendienst in juli en augustus 2014. In het artikel is te lezen dat hij veroordeeld zou zijn tot 12 jaar gevangenisstraf. Na een gevangenenruil in 2017 zou hij zijn vrijgekomen en nu in Oost-Oekraïne leven. De onderbouwing van dit verzoek is zo onduidelijk en de waarde van de gebruikte bronnen is zo onzeker dat ook dit verzoek niet kan worden toegewezen. Welke functie Volkov nu eigenlijk had, welke waarnemingen hij daarin zou hebben kunnen doen en welke bron van wetenschap hij daadwerkelijk zou hebben is allemaal niet te zeggen op basis van de motivering van Pulatov. Welke relevante informatie een verhoor van Volkov kan opleveren voor enige door uw rechtbank te nemen beslissing blijft eveneens onbenoemd. 

Het verzoek van Pulatov aan uw rechtbank om afschrift van radardata ziet op de radarsystemen van Kramatorsk, Borovaya, Melovaja, Marioepol en Tsjoegoejev, die Volkov in zijn interview heeft genoemd. Wat het Openbaar Ministerie betreft is al het mogelijke onderzoek naar Oekraïense primaire radargegevens verricht en zal een herhaling van zetten daarin geen verschil kunnen maken. Eerder heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid al grondig onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van Oekraïense radargegevens. Daarvoor is een oud-diplomaat ingeschakeld als ‘special envoy’. Hij heeft op hoog politiek niveau contacten gelegd in Oekraïne en samen met het onderzoeksteam navraag gedaan naar alle beschikbare Oekraïense primaire radargegevens.[64] Daarop heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid enkel secundaire radargegevens van Oekraïne verkregen. In het strafrechtelijk onderzoek is de beschikbaarheid van primaire radargegevens nader onderzocht door een groot aantal getuigen te horen. Daarnaast heeft de SBU bij herhaling navraag gedaan bij civiele en militaire Oekraïense autoriteiten over de beschikbaarheid van radargegevens. Naast civiele secundaire data zijn er uiteindelijk ook nog Oekraïense militaire primaire radargegevens verkregen, van een mobiel radarsysteem van het type P18-Malakhit. Het valt niet in te zien waarom een herhaling van zetten na jarenlange inspanningen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid én het JIT alsnog nieuwe Oekraïense radargegevens zouden kunnen opleveren.

Daarbij komt dat zich al voldoende radargegevens in het dossier bevinden, op grond waarvan beoordeeld kan worden of zich een gevechtsvliegtuig in het luchtruim bevond of niet. Volgens luchtvaartspecialisten van de Onderzoeksraad voor Veiligheid kon er al een betrouwbare beoordeling plaatsvinden op basis van de enkele video van een beeldscherm met Russische primaire en secundaire radardata. In het strafrechtelijk onderzoek hebben wij twee jaar later alsnog de onverwerkte primaire radargegevens van datzelfde Russische radarsysteem verkregen. Op grond daarvan konden verschillende specialisten - zowel Nederlandse deskundigen benoemd door de rechter-commissaris, als Russische specialisten van het Ministerie van Defensie en Almaz Antey - conclusies trekken over de aan- of afwezigheid van een gevechtsvliegtuig. Ook daarom is het horen van de eerder genoemde getuigen niet relevant voor de uitkomst van de zaak.

Ook Pulatov lijkt met die Russische radargegevens uit de voeten te kunnen: volgens hem zijn er “veel - en van de civiele radars kennelijk volledige - gegevens boven water gekomen en verstrekt”.[65]

Naast onderzoek naar aanvullende radargegevens, wenst Pulatov ook nader onderzoek naar de beoordeling van de beschikbare radargegevens. Concreet wil Pulatov onderzoeken of de radarplots die kort na het neerschieten van MH17 zijn gedetecteerd afkomstig zijn van een gevechtsvliegtuig en de mogelijkheid dat een gevechtsvliegtuig niet door een radar wordt gedetecteerd. Tussen neus en lippen door heeft Pulatov het ook over “informatie in verband met de vraag of een raket in de buurt van MH17 was”, maar dat valt in elk geval buiten het bereik van het door hem beoogde onderzoek naar een begin van aannemelijkheid van het air to air scenario.

Eerder hebben de door de rechter-commissaris benoemde deskundigen van defensie (D21) en EUROCONTROL, de Onderzoeksraad voor Veiligheid, Almaz Anteyen het Russische Ministerie van Defensie al aangegeven dat de radarplots in de Russische primaire radargegevens geen detectie bevatten van een gevechtsvliegtuig. Volgens de laatste beoordeling van het Russische Ministerie van Defensie en Almaz Antey zijn de na het moment van neerschieten nog zichtbare radarplots echo’s van wrakstukken van MH17. Dit sluit aan bij de beoordeling van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en de EUROCONTROL-deskundige. Volgens D21 zijn deze plots “eenmalige radarwaarnemingen welke niet bij een herkende vlucht of track aansluiten”. Volgens al deze bronnen zijn de door de Pulatov genoemde plots op de Russische primaire radar dus niet afkomstig van een gevechtsvliegtuig.

Datzelfde heeft verbalisant 17-311 opgenomen in zijn proces-verbaal: hij schrijft deze echo’s toe aan wrakstukken of raketdelen. Bij zijn beoordeling dat dit mogelijk raketdelen zijn is de verbalisant uitgegaan van het hoofdscenario dat MH17 is neergeschoten met een Buk-raket. Op basis van dat scenario is hij kennelijk tot de conclusie gekomen dat deze plots niet alleen afkomstig zouden kunnen zijn van wrakstukken van MH17, maar ook van de raket waarmee MH17 in dat scenario is neergeschoten. Dit proces-verbaal voegt dus niets toe aan de beoordeling van de eerder genoemde radardeskundigen en -specialisten. Ook daarom zien wij geen belang bij verhoor van deze verbalisant.

Datzelfde geldt voor professor P. van Genderen. Pulatov verwijst naar een onderdeel van een telefonische verklaring die Van Genderen tegenover universiteitsblad Delta heeft afgelegd over de hoorzitting in de Tweede Kamer. Het volledige citaat luidt als volgt:

“Ik verwacht ook verwarring over wat er op radarbeelden zichtbaar is van een raket die een vliegtuig nadert [onderstreping OM]. Mochten de radars iets gezien hebben, dan is niet terug te halen waar dat op slaat. Zie je het vliegtuig en de raket, zie je het uiteengespatte vliegtuig; dat kun je uit zulke beelden niet opmaken.”[66]

Net als 17-311 gaat Van Genderen dus uit van het scenario van een raket. Zijn opmerking dat je “het vliegtuig en de raket” niet uit de radarbeelden kunt “opmaken”, zegt dus niets over de beoordeling of de radarplots reflecties kunnen zijn van een gevechtsvliegtuig of niet, maar ziet in algemene zin op vlucht MH17 en een raket. Daarom blijft onduidelijk welk nieuw radarinzicht Van Genderen nog zou kunnen toevoegen aan die van verschillende deskundigen en specialisten in het dossier.

Blijft over defensiedeskundige D21. Volgens zijn rapport zou een gevechtsvliegtuig in algemene zin onder de Russische primaire radar gevlogen kunnen hebben. Indien uw rechtbank ruimte zou zien voor nader onderzoek naar het air to air scenario, zullen wij ons niet verzetten tegen nadere bevraging van D21. Daartoe kan verwezen worden naar de rechter-commissaris.

Logboeken en vluchtplannen

Verder heeft Pulatov gevraagd om getuigen te horen “met betrekking tot de begrijpelijkheid, de volledigheid, de authenticiteit/geloofwaardigheid van de vluchtplannen en documenten, waaruit zou blijken dat er op 17 juli 2014 geen gevechtsvliegtuigen in de nabijheid van MH17 zouden zijn geweest”. Dit betreffen de opstellers van documenten, te weten Baidak, Artemenko en Yanushevich, verbalisanten van een proces-verbaal waarin de ontvangst van die stukken wordt benoemd, te weten Primo 17-309 en Primo 17-311, militair historicus Klep en de eerder gehoorde getuigen Demchyk, Nikolaev, een zekere Lagachev en Dzjubenko, Dyakiv, en de opsporingsambtenaar “die het onderzoek naar de dood van Voloshin heeft geleid”.

De enige grondslag van dit verzoek is gelegen in documenten van het Oekraïense Ministerie van Defensie, waarin militaire vluchten zijn vastgelegd die op 17 juli 2014 waren gepland en zijn uitgevoerd. Volgens Pulatov zijn deze stukken onvolledig en onbegrijpelijk.

Anders dan Pulatov vinden wij deze stukken op zichzelf bezien begrijpelijk. Voor zijn begrip hebben we een korte toelichting opgenomen in de voetnoot.[67] Wij lichten deze hier kort toe. Voor nadere vragen van de verdediging hierover zijn wij vanzelfsprekend beschikbaar.

Blijft over zijn stelling dat deze stukken onvolledig zijn. Daarbij noemt Pulatov deze documenten de “derde pijler” waarop het Openbaar Ministerie het alternatieve scenario van een aanval door een gevechtsvliegtuig uitsluit en verwijst dan naar onze toelichting op de zitting van 9 juni jl. Dat is een misvatting. We hebben een toelichting gegeven op de loop van het onderzoek en uitgelegd welke stappen daarin allemaal zijn gezet. Het opvragen van de Oekraïense vluchtgegevens is slechts één van de vele stappen die in dat onderzoek zijn gezet. In onze tussenconclusie hebben wij hier het volgende over gezegd:

“Er is dus op verschillende manieren onderzoek verricht naar de vraag of vlucht MH17 door een gevechtsvliegtuig kan zijn neergeschoten. Dat onderzoek heeft vele resultaten uit verschillende bronnen opgeleverd die onverenigbaar zijn met het air-to-air scenario. De meest objectieve en belangrijke van die resultaten zijn de radardata, de opname van de Cockpit Voice Recorder, de opgenomen communicatie tussen Oekraïense en Russische luchtverkeersleiders en het forensisch onderzoek door verschillende onafhankelijke deskundigen. Met name de bevindingen dat de primaire radar geen ander vliegtuig bij MH17 heeft gedetecteerd, dat de geconstateerde schade niet veroorzaakt kan zijn door een gevechtsvliegtuig en dat een aanval door een gevechtsvliegtuig niet verenigbaar is met de opname van de Cockpit Voice Recorder maken dat wij op basis van de nu beschikbare informatie geen mogelijkheden meer zien voor zinvol nader onderzoek naar dit scenario.”[68]

Veel duidelijker kunnen we het niet maken. Als Pulatov meent dat wij blind zijn gevaren op deze Oekraïense documenten, dan heeft hij ons verkeerd begrepen.

Kortom: deze documenten spreken voor zichzelf en ze zijn niet relevant voor een door uw rechtbank te nemen bewijsbeslissing. Daarom hoeven hier geen elf getuigen en een deskundige over gehoord te worden.

‘Werking BUK-raket’ 

Onder de noemer ‘onderzoeksrapporten’ heeft de verdediging verder ter zitting gesproken over de loop van het forensisch onderzoek en het onderzoek naar de werking van het Buk-systeem. Daarbij heeft Pulatov verzocht om dit onderzoek op een aantal punten aan te vullen. Ook die aanvullingen zien op onderzoek naar het scenario dat MH17 zou zijn neergeschoten door een gevechtsvliegtuig. Opnieuw blijft Pulatov zich nog verschuilen in de vroege ochtendmist van een later te formuleren verweer. Zoals hij het zelf zegt: “De uitkomst van dit onderzoek zou kunnen zijn dat MH17 niet door een BUK-raket kan zijn geraakt. Het gevolg daarvan is dat het warplane scenario in beeld komt”. Ook volgens Pulatov is dat scenario dus nog niet in beeld. Ook hij ziet vooralsnog geen begin van aannemelijkheid dat MH17 is neergeschoten door een gevechtsvliegtuig.

Pulatov stelt dat geen onderzoek zou zijn gedaan naar de mogelijkheid dat een Buk-raket “tot ontploffing is gekomen door het daadwerkelijk raken van het vliegtuig door middel van de impactontsteker”. Daarbij beweert hij dat het voor de hand zou liggen dat een Buk-raket bij een niet te missen doel als MH17 geen nabijheidsontsteker zou gebruiken, omdat de raket dan “met gemak” in botsing kan komen met zijn doel. In het onderzoek zou dus ten onrechte zijn gezocht naar een match tussen het schadebeeld en een detonatie door een nabijheidsontsteker. Daarom wil Pulatov nader onderzocht hebben of de Buk-raket wel buiten het vliegtuig tot ontploffing is gekomen of dat deze niet toch het vliegtuig zelf had moeten raken.

Daarvoor heeft hij verzocht om het verhoor van acht personen: de getuigen Tarankov, G9081 en Hrebeniuk, twee verbalisanten (Primo 17-230 en Dzaja), twee woordvoerders van het bedrijf Almaz Antey (Malyshevsky en Novikov) en de onbekende auteur van een technisch handboek van de 9M38M1-raket.

Na deze verhoren zou de verdediging nog onbekende deskundigen willen horen over de impactschade in geval van een directe inslag van de raket in zijn doel. Al dat onderzoek zou kunnen leiden tot de conclusie dat MH17 niet door een Buk-raket geraakt kán zijn en het ‘warplane scenario’ in beeld komt.

Omdat Pulatov geen begin van aannemelijkheid van het air-to-air scenario heeft gesteld of onderbouwd, zien wij geen reden om deze getuigen te horen. Voor zover uw rechtbank daar anders over denkt, merken wij nog het volgende op.

Alle verzoeken vloeien voort uit de vraag of het niet toch zo zou kunnen of zelfs moeten zijn dat een Buk-raket vlucht MH17 direct had moeten raken in plaats van in diens nabijheid te ontploffen. Die vraag laat zich maar op één manier beantwoorden en dat is op basis van het schadebeeld. Dat schadebeeld is uitgebreid onderzocht en de uitkomst daarvan is duidelijk. Dat schadebeeld rechtvaardigt maar één conclusie, namelijk dat er een explosie buiten het vliegtuig heeft plaatsgevonden, dus zonder dat de raket het toestel direct heeft geraakt.

Over dezelfde schade heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid gerapporteerd:

“Aan de hand van de vorm van de gaten is de globale richting van de inslag bepaald. Om de banen van de deeltjes inzichtelijk te maken, zijn lijnen getrokken (deze techniek heet stringing) zodat globaal bepaald kon worden waar de deeltjes vandaan kwamen. De richting is onder meer vergeleken met de richting van de geluidsgolf, die geregistreerd is door de cockpit voice recorder.”

In het dossier zijn meerdere foto’s opgenomen waarin het resultaat van deze stringing te zien is.

Hoewel deze stringing methode niet meer dan een globale inschatting geeft van richting en locatie waaruit de fragmenten moeten zijn afgevuurd, wordt hiermee wel duidelijk dat die locatie globaal genomen linksboven de cockpit moet hebben gelegen. Dat is onverenigbaar met de door Pulatov geopperde botsing.

En dat is niet de enige contra-indicatie. Ook het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar het schadebeeld. Daarbij heeft het NFI gekeken naar de wrakdelen van MH17 én de vliegtuigvreemde materialen die in lichamen, persoonlijke goederen van slachtoffers, vluchtdocumenten van de bemanning en in de wrakdelen van MH17 zijn aangetroffen. Daarbij heeft het NFI niet alleen een relatie met een explosie vastgesteld, maar ook geconcludeerd dat die explosie buiten het vliegtuig moet hebben plaatsgevonden. In relatie tot het aantreffen van sommige staaldeeltjes concludeert het NFI dat dit alleen kan worden verklaard als de deeltjes van buiten het vliegtuig komen. In een overkoepelend rapport komt het NFI tot de volgende conclusie:

“Samengevat kan uit deze onderzoeken worden geconcludeerd dat er een explosie buiten het vliegtuig heeft plaatsgevonden.”

Daarmee is de centrale vraag van Pulatov dus al beantwoord: er was geen sprake van raketbotsing of ‘direct hit’. Daarom is er ook geen reden om getuigen te horen over de algemene werking van de botsingsontsteking van een Buk-raket.

Explosievenonderzoek 

Verder heeft Pulatov verzocht om verhoor van explosievendeskundige Koeberg van het Nederlands Forensisch Instituut. Deze deskundige heeft twee rapporten opgemaakt over zijn onderzoek naar de mogelijkheid dat MH17 is neergeschoten met andere raketten dan een Buk. Deze rapporten zijn opgenomen in het dossier.

Pulatov wenst Koeberg te vragen hoe hij zijn onderzoek heeft uitgevoerd en waarop hij zijn conclusies baseert. Daarnaast wil hij hem vragen naar het door hem verrichte onderzoek naar explosieven. In zijn motivering maakt Pulatov niet duidelijk op welk verweer dit onderzoek is gericht. Omdat het is opgenomen in het hoofdstuk ‘warplane scenario’, moeten we het erop houden dat antwoorden van Koeberg Pulatov – net als bij de eerdere verzoeken in dit deel - zouden kunnen helpen om te beoordelen of dit scenario ‘in beeld komt’. Ook volgens Pulatov heeft dat scenario geen begin van aannemelijkheid. Tegelijk menen wij dat een verhoor van deze deskundige Koeberg weer méér voor de hand ligt dan veel andere verhoren waar Pulatov om gevaagd heeft. Indien uw rechtbank nog ruimte ziet voor onderzoek naar het air to air scenario, is deze deskundige een voor de hand liggende keuze.

Rakettypes R33 en R37

Het volgende verzoek is om verbalisant Primo 17-311 en Bilov, een militair van de Oekraïense luchtmacht als getuigen te horen over de vraag of MH17 kan zijn neergeschoten door een R-33 of R-37 raket vanaf een Oekraïens gevechtsvliegtuig. Pulatov wijst daarbij op een vergissing in een proces-verbaal: daarin is bij de verwijzing naar een zin in een ambtsbericht van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) een zin verkeerd weergegeven. Daarin heeft Pulatov gelijk: waar de MIVD zegt dat bepaalde wapensystemen niet in gebruik zijn bij de Oekraïense krijgsmacht bedoelt de MIVD inderdaad de R-33 en de R-37 raket, en niet op typen gevechtsvliegtuigen.

Pulatov wenst de verbalisant en Bilov te horen “teneinde helderheid te verkrijgen over wat het JIT met onderzoek heeft vastgesteld over de beschikbare luchtraketten en gevechtsvliegtuigen van de Oekraïense luchtmacht”. Over de vraag of Oekraïne beschikte over operationele R-33 of R-37 raketten is het dossier echter volstrekt helder. Bilov heeft verklaard dat Oekraïne geen R-33 raketten in gebruik had. De MIVD heeft verklaard dat Oekraïne geen R-33 of R-37 raketten in gebruik had. Het NLR heeft de R-33 en R-37 raket uitgesloten als mogelijke veroorzaker van de schade aan MH17 omdat die raketten geen vlindervormige fragmentatiedelen bevatten.

Het dossier bevat daarnaast informatie over de vraag welke luchtdoelraketten Oekraïne wél in gebruik had; dat waren volgens getuige Bilov en de MIVD de types R-27, R-60 en R-73. De types R-33 en R-37 worden daar steeds niet bij genoemd.

Pulatov kan het hier mee oneens zijn. Hij kan het bestrijden. Maar er is geen onduidelijkheid die opgehelderd moet worden met een getuigenverhoor. De feiten zijn dat volgens alle bronnen in het dossier de Oekraïense krijgsmacht in juli 2014 geen R-33 en R-37 raketten in gebruik had. Pulatov draagt geen enkele informatie aan die er op wijst dat dit wel het geval was en daarom onderzocht moet worden.

Getuige Bilov verklaart ook welke vliegtuigen kunnen worden gebruikt om de raketten af te vuren die de Oekraïense strijdkrachten wél in gebruik hadden (rakettypes R-27, R-60 en R-73). Dit zijn verschillende typen Sukhois (Su-24, Su-25 en Su-27) en de MiG-29.

De verdediging heeft op internet een foto uit 2011 gevonden van een MiG-25 in Oekraïne. Dit betreft een MiG-25 in het Ukraine State Aviation Museum in Kiev. De dia die nu wordt getoond is een schermafdruk van de website van dat museum. Op de foto is het vliegtuig te zien zoals het is opgesteld tussen de rest van de collectie.

Overigens betreft het een MiG-25RB; deze variant was uitgerust om gronddoelen te bombarderen. Een foto van een MiG in een museum. In 2011. Voor het Openbaar Ministerie is niet duidelijk wat Pulatov hiermee wenst te onderbouwen. In elk geval is het niet relevant voor enig verzoek. Datzelfde geldt overigens voor de getoonde foto van een gevechtsvliegtuig in hetzelfde beeld als een burgervliegtuig bij een militaire oefening in het jaar 2012: ook daarvan hebben wij geen relatie met enig verzoek van Pulatov kunnen vaststellen.

Om deze getuigenverhoren te kunnen toewijzen moeten twee vragen positief beantwoord worden: in de eerste plaats of er vragen zijn die nog niet door het dossier worden beantwoord maar wel aan deze getuigen gesteld kunnen worden. Zulke vragen zien wij niet in de toelichting van de verdediging. Maar zelfs als u die vragen wel ziet, moet ook nog geconstateerd worden dat die vragen relevant zijn voor enige door uw rechtbank te nemen beslissing. Het gaat hier om onderzoek naar een alternatief scenario. Daarvoor is een begin van aannemelijkheid noodzakelijk. Ook daarom kunnen deze onderzoekswensen niet worden toegewezen.

Rapport NLR

Van de air to air raketten stapt Pulatov over op het boordkanon van een gevechtsvliegtuig en - nog steeds in het hoofdstuk ‘warplane scenario’ - andere surface to air raketten dan de Buk. Daarover wenst hij onderzoeker Markerink van het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) te horen. Daarbij stelt Pulatov dat het NLR hierbij heeft “vertrouwd op de door de SBU en de Oekraïense autoriteiten verstrekte informatie dat geen andere dan in het onderzoek betrokken eigenschappen van boordkanonnen en luchtraketten bij de Oekraïense krijgsmacht in gebruik zijn”. Dat is onjuist en blijkt ook niet uit de bron waarop Pulatov zich baseert: de inleiding van het NLR-rapport. Daarin wordt nu juist uitgelegd dat dit onderzoek werd gedaan ten behoeve van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en dat daarbij gebruik werd gemaakt van “diepgaande kennis van grond-lucht en lucht-lucht wapensystemen” van de eigen afdeling Defensiesystemen. Diezelfde afdeling beschikt op dit gebied over ruime kennis, omdat het ook “operationele, technische en wetenschappelijke ondersteuning” geeft aan de Koninklijke Luchtmacht in het kader van de “zelfbescherming van de luchtvaartuigen”. Verder wordt in het rapport nog de Russische fabrikant Almaz Antey als bron genoemd voor gerichte informatie over Buk-raketten. Hoe Pulatov hierin heeft kunnen lezen dat het NLR in dit onderzoek is uitgegaan van informatie van de SBU en de Oekraïense autoriteiten, is ons niet duidelijk. Dit getuigenverzoek van Pulatov is vooral gericht op de bespreking van zijn kritiek op het NLR-rapport. De paar vragen die hij uiteindelijk aan Markerink wenst te stellen algemeen en worden al beantwoord in het rapport.

‘Uitstulpingen en RMA-onderzoek’

Pulatov wenst een drietal onderzoekers van de Belgische Koninklijke Militaire School (Royal Military Academy of RMA) te horen over het door hen gemaakte rapport over het fenomeen uitstulpingen naar buiten na detonatie, ook wel petalling genoemd, vanwege een “groot wetenschappelijk voorbehoud” dat deze deskundigen in dit rapport zouden hebben gemaakt. Ook zouden de onderzoekers een voorbehoud maken, waar zij stellen dat de door hen genoemde minimale afstand van 2,7 meter “slechts” een indicatieve waarde zou zijn.

In het onderzoek naar uitstulpingen heeft de RMA zogenaamde D-targets gebruikt bij de arenatesten. Deze D-targets bestonden uit een constructie van meerdere lagen samengeklonken plaatmateriaal. Op die D-targets zijn na detonatie inslagen te zien die zowel naar binnen als naar buiten zijn gebogen.

Het voorbehoud dat de RMA in zijn onderzoeksrapport heeft gemaakt ziet enkel op de verklaring voor dit verschijnsel van uitstulpingen (petalling) niet op het verschijnsel zelf. Dat er na een detonatie van een Buk-raket ook uitstulpingen kunnen ontstaan in samengeklonken plaatmateriaal, is immers aangetoond tijdens de arenatesten. Dat is ook te zien op drie foto’s in het rapport van de RMA. De RMA maakt dus geen “groot wetenschappelijk voorbehoud”.

Datzelfde geldt voor overweging van RMA dat de afstand van 2,7 meter een indicatieve waarde is. Ook dat is geen voorbehoud ten aanzien van het verschijnsel van petalling bij een explosie van buitenaf, omdat dit al feitelijk is vastgesteld. De onderzoekers wijzen er slechts op dat de omstandigheden tijdens de arenatest niet dezelfde waren als die waarin MH17 verkeerde toen hij werd neergeschoten.

Nog daargelaten dat Pulatov in het midden laat voor welke door uw rechtbank te nemen beslissing nader onderzoek naar het petalling effect relevant zou kunnen zijn. Wij kunnen dat in elk geval niet plaatsen in een scenario waarbij MH17 van buitenaf is aangevallen met een gevechtsvliegtuig.

Ook het verzoek om de drie onderzoekers van de RMA over dit onderwerp te horen mist feitelijke grondslag en dient om die reden te worden afgewezen. Overigens zullen we zo in het tweede deel concluderen dat twee van deze drie onderzoekers wel om andere redenen gehoord kunnen worden.

Voetnoten

[1] ECLI:NL:PHR:2012:BW7952, pt. 7.

[2] Corstens, Borgers en Kooijmans (2018), Het Nederlandse Strafprocesrecht, par. XV.18, met verwijzing naar de memorie van toelichting bij artikel 293 Oorspronkelijk Regeringsontwerp, p. 125.

[3] A.J. Blok en L.CH.Besier (1925), Het Nederlandsche Strafproces, Deel II, p.65

[4] Brief van raadslieden aan voorzitter van 24 april 2020, pt. 15: “Voorts is het thans niet mogelijk om de nodige input van cliënt in aanvulling op de inhoud van het strafdossier te verkrijgen; wij kunnen hem niet in kennis stellen van onze standpunten over de feiten (die wij pas kunnen innemen na zijn informatie te hebben verkregen); wij kunnen geen overleg voeren over inhoudelijke en/of strategische beslissingen en de mogelijke gevolgen van bepaalde verweren; over eventuele onderzoekswensen, etc. etc.”

[5] Brief van raadslieden aan voorzitter van 24 april 2020, pt. 18: “(...) wij op dit moment - tot ten minste een periode nadat de reisbeperkingen i.v.m. corona zijn opgeheven - niet kunnen bepalen welke onderzoekswensen in het belang van of noodzakelijk voor de verdediging zijn (…).”

[6] Brief van de raadslieden d.d. 24 april 2020, pt. 15-16: “In onderhavige zaak wordt veelvuldig over belangrijke te nemen procesmatige beslissingen gecorrespondeerd tussen de rechtbank, de verdedigingen het OM. De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze (concept) correspondentie normaalgesproken met cliënt zou kunnen worden besproken via een tolk (…); immers is het ten behoeve van de verdediging van de heer Pulatov noodzakelijk om hem op de hoogte te houden van het procesverloop, om op de daarin in te nemen standpunten zijn (feitelijke) input te ontvangen, en om op (de mogelijke gevolgen van) te nemen beslissingen zijn akkoord te ontvangen. De verdediging heeft deze correspondentie tot nu toe steeds op eigen kosten in het Russisch laten vertalen, omdat het niet doenlijk en/of wenselijk is om deze (concept) correspondentie in verband met de complexiteit en gevoeligheid van de (feitelijke en juridische) materie alsmede tijdsoverwegingen (steeds) (op afstand) met cliënt te bespreken via een tolk (…).”

[7] Email van de raadslieden d.d. 26 mei 2020 (met instemming van de verdediging gevoegd als bijlage 1 bij de brief van het OM aan de voorzitter d.d. 27 mei 2020.

[8] Beslissing van de rechter-commissaris op het verzoek van Pulatov tot vertaling van het procesdossier d.d. 7 mei 2020: “Nog los van de tijdelijkheid van deze beperkingen geldt dat een mondeling overleg met behulp van een tolk het uitgangspunt is en er in de huidige tijd (ook met inachtneming van deze beperkingen) voldoende (veilige) mogelijkheden zijn om dit vorm te geven.”

[9] In haar brief aan de rechter-commissaris van 16 oktober 2019 stelt zich voor als zijn “legal representative”.

[10] Advocatenblad, 3 februari 2020.

[11] Vervallen

[12] https://www.svs.law/nl/nieuws/kantoornieuws/verdedigingsteam-mh-17-onderzoek/:

[13] Mondelinge mededeling verdediging ter zitting van 10 juni 2020 (“Wij hebben nog even gecheckt, net, en ik heb inmiddels begrepen dat hij wel degelijk één en ander heeft gelezen. Wat mij betreft is dat echter helemaal niet relevant, laat staan bepalend voor de vraag of het gedeelte dat is vertaald is, voldoende is ...”).

[14] Email van de raadsvrouw aan voorzitter en OM d.d. 10 juni 2020.

[15] Brief van raadslieden aan voorzitter d.d. 24 april 2020, pt. 17: “De coronamaatregelen staan in de weg aan zowel de mogelijkheid om te reizen in dat verband als de mogelijkheden om dergelijke adviseurs te Kunnen bekostigen.”

[16] Brief van raadslieden aan voorzitter d.d. 5 mei 2020, pt. 19.

[17] Zie rechtbank Den Haag, 1 maart 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292), 4.39 over de verlening van een voorschot van 15.000 euro.

[18] Brief van mevrouw Kutina aan de RC d.d. 16 oktober 2019: “Now he is looking for the lawyer, who is eligible to defend him before the Court. Due to this fact he asks not to provide him a court-appointed attorney.”

[19] Onder 2 ‘Bijstand advocaat’: “U heeft het recht om zich te laten bijstaan door een Nederlandse advocaat. Als u nog geen advocaat heeft, kunt u om toevoeging van een advocaat vragen bij de Raad voor Rechtsbijstand. (…) Indien u praktische ondersteuning nodig heeft bij de verkrijging van rechtsbijstand, kunt u hierover contact opnemen met de officier van justitie via de kanalen die onderaan zijn vermeld (onder 13).”

[20] Standpunt Openbaar Ministerie 10 maart 2020, p. 35.

[21] Zie bijvoorbeeld EHRM 2 april 2013, no. 25307/10 (D.T. t. Nederland), par. 50. Zie ook B. de Wilde, Stille getuigen. Het recht belastende getuigen in strafzaken te ondervragen (artikel 6 lid 3 sub d EVRM) (diss. Amsterdam VU), Deventer: Kluwer 2015, p. 536.

[22] Zie artt. 288 lid 1 sub c, 315, 316 en 318 Sv.

[23] HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, r.o. 2.5 en 2.8;

[24] Zie noot Borgers bij HR 1 juli 2014, NJ 2014/441, pt. 20.

[25] Zie brief OM 27 mei 2020, bijlage 2 (toelichting vorderingen nader onderzoek), p.4.

[26] Zie ECLI:NL:PHR:2010:BK8132, pt. 17-20 en M.J.A. Duker, Noodzaak en verdedigingsbelang: naar meer eenduidigheid, DD 2008, p. 61.

[27] Zie ECLI:NL:PHR:2010:BK8132, pt. 20.

[28] Zie kamerstukken 1995–1996, 24 692, nr. 3, p. 20 (“Tegen de niet verschenen verdachte, aan wie de dagvaarding op een geldige wijze is uitgereikt, wiens aanwezigheid door de rechtbank niet wordt vereist en wiens verzoek om uitstel niet is gehonoreerd, verleent de rechtbank verstek. Dat betekent dat de behandeling van de zaak buiten zijn aanwezigheid wordt voortgezet en dat de beraadslaging plaatsvindt op basis van een onderzoek, waaraan de verdachte niet heeft deelgenomen.”).

[29] Zie Silvis in Melai/Groenhuijsen, aantekening 4.2 (de beoordeling van een verzoek) bij artikel 316 Sv (“Wordt nader onderzoek op de voet van art. 316 bevolen, dan betekent dit niet dat het beschikbare materiaal onvoldoende was om te kunnen komen tot de beantwoording van de vragen van art. 348 en art. 350. Het geeft slechts aan dat de rechter een of ander feit nog nader belicht wilde zien.”).

[30] HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:666, r.o. 2.4; HR 28 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5471, r.o. 4.8.1; HR 10 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0556, r.o. 4.2; HR 30 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1214, NJ 1999,88, r.o. 6.3.5.

[31] Conclusie Keulen 28 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1613, pt. 22.

[32] Zie o.a. EHRM 18 december 2014, nr. 14212/10 (Scholer/Duitsland), r.o. 51; EHRM 6 december 2012, appl.no. 25088/07 (Pesukic/Zwitserland), r.o. 45 en EHRM, 29 september 2009, nr. 15065/05 (Dzelili/Duitsland) – admissibility decision.

[33] Hof Den Haag 30 juni 2000, ECLI:NL:GHSGR:2000:AA6305, r.o. 15.49.

[34] Toelichting verdediging 23 juni 2020, deel 9.

[35] Standpunt OM voortgang proces d.d. 10 maart 2020, p. 16-17 en 38.

[36] Toelichting OM (Conclusie), p. 22.

[37] Toelichting verdediging 23 juni 2020, deel 9, bijlage 1, p. 4-5.

[38] In het dossier bevinden zich wel processen verbaal waarin wordt verwezen naar de persconferentie van Almaz-Antey van 13 oktober 2015 ). Voorts is in het digi dossier een video te vinden van deze persconferentie.

[39] Op de zitting van 9 maart 2020 en in een brief van 27 februari 2020, waar onder het kopje “aanwijzingen voor de zitting: preliminaire verweren en opgeven getuigen”.

[40] Hoge Raad 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702.

[41] HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496

[42] Zie noot Silvis onder 7 en 8 Bij HR 19 juni 2007, VA 2008/7 en HR 19 juni 2007, LJN BA5856

[43] HR 2 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB8082, DD 1998, p. 009, NJ 1998/101; HR 23 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3794, JOL 1999/253, NJ 2000/128; HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AL8446, NbSr 2004/85, NJ 2004/452, m.nt. Knigge; HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NbSr 2014/257; HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440, m.nt. Kooijmans.

[44] HR 4 juli 2017, NJ 2017/440 m.nt. Kooijmans, r.o. 3.6

[45] Zie C.P.J. Scheele, in: M.F. Attinger e.a./P.A.M. Mevis e.a., Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer, elektronische versie, bijgewerkt tot 1 maart 2018, nr. 26.7.6

[46] Zie: HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers

[47] Zie de noot van Borgers, punt 14, bij HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:1496, NJ 2014/441

[48] Gerechtshof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:240. Zie in soortgelijke zin Rechtbank A’dam, 14-02-2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:971.

[49] Zie toelichting verdediging 22 en 23 juni 2020

[50] Mondelinge toevoeging ter zitting op 23 juni 2020 na randnummer 84 van deel 9 (“Voor alle duidelijkheid: wij geloven nog niets.”). Mondelinge toevoeging ter zitting op 23 juni 2020 voor deel 5, randnummer 1(“Wij gaan beginnen met het bespreken van dat wat wij noemen het Oekraïense BUK-scenario en dat gaat over de vraag als het een BUK was, kan dat dan een BUK zijn die afkomstig was van de Oekraïense strijdkrachten? En nou zullen wellicht sommigen zeggen: hoe kan dat nou? Gisteren heeft die verdediging toch de hele dag gepraat over een heel ander scenario namelijk over het scenario dat het een warplane kan zijn geweest, 1 of meer, dus een ander zogenaamd alternatief scenario. En dat klopt, daar hebben wij het gisteren over gehad en wij zeggen niet te weten dat dat het is, wij zeggen niet te weten dat er een warplane was, wij zeggen niet te weten wat het antwoord is op al die vragen, wat wij zeggen is; er zijn een hoop vragen die nog te stellen zijn, er is een hoop onduidelijk en in die fase, in die onderzoeksfase zitten wij. Wat wij zeggen is; doe nou onderzoek naar de betrouwbaarheid en naar de open eindjes die er nog zijn in onze optiek. En die vragen die zijn er nog voor het air to air, het warplane-scenario en die vragen zijn er ook als het gaat over de vraag als het een BUK was, was het dan wellicht een Oekraïnse BUK? En dat is het deel dat ik nu ga bespreken.”).

[51] Mondelinge toevoeging ter zitting op 23 juni 2020 na randnummer 7 van deel 6 (“Ik zeg er bij: dit is op dit moment nog maar theorie, we zitten in de onderzoeksfase.”).

[52] zie bv Gerechtshof Arnhem 18 april 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BW3209; Rb. Rotterdam 30 juli 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN2911; Gerechtshof Den Haag 13 december 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BO7042; Rb. Limburg 4 januari 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:BY7756; Rb.Utrecht 9 april 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM0563.

[53] EHRM 6 mei 2003, nr. 48898/99 (Perna tegen Italië), § 29. Vgl. voorts onder meer EHRM 9 mei 2017, nr. 21668/12 (Poropat tegen Slovenië), § 42.

[54] Zie bijvoorbeeld HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3760, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1568, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1559 en zie de noot van Borgers, punt 12, bij HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441.

[55] PHR 27 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:834 onder 11.

[56] Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, art. 69 lid 4.

[57] Zie schriftelijk standpunt OM 10 maart 2020, p. 19, met name ook de jurisprudentie.

[58] Mondelinge toevoeging ter zitting op 23 juni 2020 (“Ik zeg er bij: dit is op dit moment nog maar theorie, we zitten in de onderzoeksfase.”).

[59] Mondelinge aanvulling verdediging ter zitting op 23 juni 2020

[60] Zie bijvoorbeeld HR 8 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3760, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1568, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1559 en zie de noot van Borgers, punt 12, bij HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441.

[61] C.P.J. Scheele, Het beoordelen van getuigenverzoeken, Strafblad 2017/30, par. 4.2

[62] Zie The Moscow Times, Fresh Details Fail to Provide Clarity on MH17 Crash in Eastern Ukraine, 3 augustus 2014, beschikbaar op https://www.themoscowtimes.com/2014/08/03/fresh-details-fail-to-provide-clarity-on-mh17-crash-in-eastern-ukraine-a37940.

[63] In de bron van de verdediging staat o.a.: “De lezer zou uit het Novini artikel kunnen begrijpen dat Jevgenij Volkov een luchtverkeersleider is die werkte met UkSATSE radarsystemen bedoeld voor begeleiding van passagiertoestellen. Dat is onjuist.”.

[64] OVV Onderzoeksverantwoording, p. 63-64

[65] Dat is overigens een opmerkelijke conclusie, omdat de Russische autoriteiten nu juist geen primaire radardata hebben bewaard en verstrekt van het civiele systeem in Buturinskoe, terwijl die volgens de persconferentie van het Ministerie van Defensie van 21 juli 2014 wel een gevechtsvliegtuig zou hebben gedetecteerd. Daarnaast hebben de Russische autoriteiten, anders dan de Oekraïense, geen militaire primaire radargegevens verstrekt, terwijl die Russische autoriteiten volgens de redenering van de Pulatov evengoed een “militair-strategische noodzaak” hadden om het luchtverkeer in het aangrenzend Oost-Oekraïense gebied te volgen. Daarin was de Oekraïense luchtmacht immers in elk geval tot 17 juli 2014 actief.

[66] https://www.delta.tudelft.nl/article/delftse-inbreng-tijdens-hoorzitting-mh17.

[67] Het gaat om twee tabellen met vluchten van 17 juli 2014. In de eerste worden trainingsvluchten vermeld. In de tweede tabel staan de overige vluchten In de eerste kolom van die tweede tabel staat telkens het type ‘aircaft’, zoals Antonov-26 (An-26) of een helikopter van type Mi-8 (Mil), met de naam van de verantwoordelijke commandant. In de kolom ‘take off time’ en de subkolommen ‘planned’ en ‘actual’ staan de geplande en feitelijke vertrektijden. De kolom ‘aerodrome’ verwijst dan naar de locatie van het vliegveld, waar vandaan het betreffende toestel is vertrokken. In de kolom ‘landing time’ wordt het tijdstip vermeld waarop het toestel is geland. Het werkt dus als een spoorboekje van de Oekraïense militaire luchtvaart op 17 juli 2014. Daarmee is Oekraïens verslag gedaan welke vluchten wanneer en waar hebben plaatsgevonden. Al deze vliegvelden liggen buiten het conflictgebied en ver van de locatie waar MH17 is getroffen.

[68] Toelichting onderzoek alternatieve scenario’s d.d. 9 juni 2020, p. 23-24.

[69] http://aviamuseum.com.ua/en/exposition/exposition/kb-mig/207-mig-25rb.